Uitsluiting aftrek voorbelasting privévervoer

Een ondernemer kocht twee personenauto’s die hij ter beschikking stelde aan zijn werknemers. Bij aanschaf van die personenauto’s bracht hij de daarop drukkende omzetbelasting in aftrek. De auto’s werden door de werknemers zowel zakelijk als privé gebruikt. De omvang van het privégebruik door de werknemers werd niet bijgehouden en was dus niet bekend. Voor de btw-correctie werd daarom uitgegaan van het forfaitair bepaalde privégebruik volgens een besluit van Financiën. Dit bedroeg 25% van de catalogusprijs en was daarmee hoger dan de forfaitaire bijtelling in de inkomstenbelasting. Het verschil werd verklaard door het woon-werkverkeer, dat voor de omzetbelasting privégebruik is maar voor de inkomstenbelasting als zakelijk geldt. De btw-correctie bedroeg daardoor 12% van 25% van de catalogusprijs.

Deze correctie was inzet van een procedure voor Hof Den Bosch. Met name was in geschil of het BUA geheel of gedeeltelijk onverbindend is wegens strijd met de Zesde richtlijn, of de verhoging van het autokostenforfait in strijd is met het vertrouwensbeginsel en of de uitbreiding van de aftrekbeperking door het privégebruik te verhogen van 20% van de catalogusprijs naar 25% van de catalogusprijs in strijd is met de Zesde richtlijn. Het hof verwees naar een arrest van het Hof van Justitie EG uit 2005, waarin beperkingen van de aftrek van voorbelasting volgens de Nederlandse wetgeving aan de orde waren. Volgens dat arrest mogen bij de invoering van de Zesde richtlijn bestaande aftrekbeperkingen of –uitsluitingen blijven bestaan voor bepaalde goederen en bepaalde diensten, in het bijzonder wanneer deze worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel. Het is de lidstaten niet toegestaan om alle of nagenoeg alle goederen en diensten van de aftrekregeling uit te sluiten. Volgens Hof Den Bosch sloot het BUA de aftrek niet voor alle of nagenoeg alle leveringen en diensten uit omdat er een grens van ƒ 250 per jaar gold waaronder geen beperking van de aftrek plaatsvond. Omdat de regeling van het BUA inzake de uitsluiting van aftrek van personeelsvoorzieningen voor de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn in overeenstemming met de Tweede richtlijn was, mocht de regeling onder de Zesde richtlijn blijven bestaan. Het gevolg daarvan was dat er terecht een correctie wegens privégebruik van de personenauto's had plaatsgevonden.

 

Tot de publicatie van een besluit van het ministerie van Financiën op 30 augustus 2002 accepteerde de inspecteur de correctie voor het privégebruik op basis van 20% van de waarde van de auto. De belanghebbende meende dat hij enkel voor de laatste vier maanden van 2002 uit hoefde te gaan van 25% van de waarde van de auto's.

De Hoge Raad deelde deze opvatting. De belanghebbende kon op 30 augustus 2002 niet meer terugkomen op de keuze om de correctie niet te berekenen aan de hand van het werkelijke gebruik van de auto's en daarom af te zien van het bijhouden van het werkelijke gebruik. De rechtszekerheid verbiedt dan om de correctie met terugwerkende kracht te verhogen tot 25%.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Een ondernemer kocht twee personenauto’s die hij ter beschikking stelde aan zijn werknemers. Bij aanschaf van die personenauto’s bracht hij de daarop drukkende omzetbelasting in aftrek. De auto’s werden door de werknemers zowel zakelijk als privé gebruikt. De omvang van het privégebruik door de werknemers werd niet bijgehouden en was dus niet bekend. Voor de btw-correctie werd daarom uitgegaan van het forfaitair bepaalde privégebruik volgens een besluit van Financiën. Dit bedroeg 25% van de catalogusprijs en was daarmee hoger dan de forfaitaire bijtelling in de inkomstenbelasting. Het verschil werd verklaard door het woon-werkverkeer, dat voor de omzetbelasting privégebruik is maar voor de inkomstenbelasting als zakelijk geldt. De btw-correctie bedroeg daardoor 12% van 25% van de catalogusprijs. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Deze correctie was inzet van een procedure voor Hof Den Bosch. Met name was in geschil of het BUA geheel of gedeeltelijk onverbindend is wegens strijd met de Zesde richtlijn, of de verhoging van het autokostenforfait in strijd is met het vertrouwensbeginsel en of de uitbreiding van de aftrekbeperking door het privégebruik te verhogen van 20% van de catalogusprijs naar 25% van de catalogusprijs in strijd is met de Zesde richtlijn. Het hof verwees naar een arrest van het Hof van Justitie EG uit 2005, waarin beperkingen van de aftrek van voorbelasting volgens de Nederlandse wetgeving aan de orde waren. Volgens dat arrest mogen bij de invoering van de Zesde richtlijn bestaande aftrekbeperkingen of –uitsluitingen blijven bestaan voor bepaalde goederen en bepaalde diensten, in het bijzonder wanneer deze worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel. Het is de lidstaten niet toegestaan om alle of nagenoeg alle goederen en diensten van de aftrekregeling uit te sluiten. Volgens Hof Den Bosch sloot het BUA de aftrek niet voor alle of nagenoeg alle leveringen en diensten uit omdat er een grens van ƒ 250 per jaar gold waaronder geen beperking van de aftrek plaatsvond. Omdat de regeling van het BUA inzake de uitsluiting van aftrek van personeelsvoorzieningen voor de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn in overeenstemming met de Tweede richtlijn was, mocht de regeling onder de Zesde richtlijn blijven bestaan. Het gevolg daarvan was dat er terecht een correctie wegens privégebruik van de personenauto's had plaatsgevonden. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Tot de publicatie van een besluit van het ministerie van Financiën op 30 augustus 2002 accepteerde de inspecteur de correctie voor het privégebruik op basis van 20% van de waarde van de auto. De belanghebbende meende dat hij enkel voor de laatste vier maanden van 2002 uit hoefde te gaan van 25% van de waarde van de auto's.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Hoge Raad deelde deze opvatting. De belanghebbende kon op 30 augustus 2002 niet meer terugkomen op de keuze om de correctie niet te berekenen aan de hand van het werkelijke gebruik van de auto's en daarom af te zien van het bijhouden van het werkelijke gebruik. De rechtszekerheid verbiedt dan om de correctie met terugwerkende kracht te verhogen tot 25%.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u