
Bij de beëindiging van een dienstbetrekking door ontbinding door de kantonrechter kan een ontslagvergoeding worden meegegeven aan de werknemer wiens arbeidsovereenkomst eindigt. Of er aanleiding is voor een ontslagvergoeding wordt bepaald aan de hand van de redelijkheid en billijkheid en op basis van de eisen van goed werkgeverschap. Met het betalen van een ontbindingsvergoeding is de werkgever niet in alle gevallen van zijn verplichtingen ontslagen. Zo kan de werknemer nog recht hebben op andere uitkeringen of betalingen van de werkgever, bijvoorbeeld op grond van een CAO. De werkgever kan in een aparte procedure tot nakoming van zijn verplichtingen worden aangesproken.
Zo bevatte een CAO een wachtgeldregeling voor werknemers van wie de arbeidsovereenkomst was beëindigd door toedoen van de werkgever. De wachtgeldregeling was bedoeld als inkomstenderving voor onvrijwillig ontslagen werknemers. Het ontslag mocht niet aan de persoon van de werknemer toe te rekenen zijn. Volgens Hof Arnhem was de regeling niet beperkt tot opzegging door de werkgever maar was deze ook van toepassing op beëindiging via de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter op initiatief van de werkgever. De arbeidsovereenkomst van de werknemer in kwestie was door de kantonrechter ontbonden op verzoek van de werkgever. De werknemer had inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek tot ontbinding. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Die was ontstaan door een ten onrechte gegeven ontslag op staand voet. De kantonrechter kende een ontbindingsvergoeding toe die was berekend op basis van correctiefactor 1,5. De ontbinding was gezien deze correctiefactor verwijtbaar aan de werkgever.
De werkgever meende dat de kantonrechter een lagere vergoeding zou hebben toegekend als de wachtgeldregeling van toepassing zou zijn. Volgens het hof moet de kantonrechter in een ontbindingsprocedure rekening houden met alle omstandigheden van het geval, dus ook een afvloeiingsregeling of wachtgeldregeling. Uitgangspunt is dat deze regeling wordt nagekomen. Uit de ontbindingsbeschikking volgde niet dat de kantonrechter van een ander uitgangspunt was uitgegaan. Het hof kende de vordering tot betaling van wachtgeld toe en matigde deze niet