
De verplichte uitkeringen van winst op grond van de statuten of op grond van een schriftelijke overeenkomst die een zogenaamde fondsenwerver doet aan een het algemeen nut beogende instelling komen in mindering op de winst van de fondsenwerver. Voor deze aftrek gelden als voorwaarden dat de winst wordt behaald met activiteiten die zijn gericht op een maatschappelijk belang en dat geen sprake is van een ernstige concurrentieverstoring.
De inspecteur weigerde de aftrek in een voorkomend geval vanwege optredende ernstige concurrentieverstoring. De rechtbank stond de aftrek wel toe, omdat er geen bewijs voor een ernstige concurrentieverstoring was.