
De bedrijfsopvolging in de agrarische sector vindt van oudsher bij voorkeur plaats binnen de familiesfeer. Om de bedrijfsopvolging mogelijk te maken komt het geregeld voor dat de grond aan de opvolger verpacht wordt. Het feit dat de pachtovereenkomst zijn oorsprong heeft in de familiesfeer maakt de pachtovereenkomst nog niet onzakelijk. Op de regel dat verpachtingen, die op waarborging van de bedrijfsopvolging zijn gericht een zakelijke grondslag hebben, zijn uitzonderingen mogelijk.
Wanneer de pachtovereenkomst op een zakelijke basis is gesloten is een eventuele vergoeding die aan de pachter wordt betaald ter beëindiging van de pachtovereenkomst, onderdeel van diens belastbare winst. In een dergelijk geval kan een deel van de beëindigingsvergoeding zijn vrijgesteld op grond van een resolutie uit 1988 als zogenaamd tweede pachtersvoordeel. Daarvoor is vereist dat bij de verkrijging van de grond door de voorganger geen pachtersvoordeel is ontstaan en dat vaststaat dat het ten tijde van de verkrijging van de grond door de opvolger de bedoeling was om het bedrijf voort te zetten.
In een door Hof Amsterdam behandelde casus ging het om een landbouwer die na het overlijden van zijn moeder 1/3 gedeelte van de door hem gepachte grond in onverdeelde eigendom verkreeg. De landbouwer was namelijk samen met zijn broer en zijn zus erfgenaam. De grond was eigendom van de ouders en bij de voortzetting van het bedrijf door de zoon door hen aan hem verpacht. Ten tijde van het overlijden van zijn moeder had de landbouwer de intentie het bedrijf voort te zetten, ook al verkocht hij de grond en beëindigde hij het bedrijf twee jaar later.
Uitkomst was dat 1/3 van de pachtontbindingsvergoeding onbelast was en 2/3 tot de stakingswinst werd gerekend.