
Een betaald voetbalorganisatie (BVO) contracteerde in 1997 twee spelers. De belastingdienst was van mening dat de transfersommen als loon aan de spelers ten goede waren gekomen en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op. Aan de spelers werden navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd.
Hof Den Haag was van oordeel dat de transferbetalingen loon vormden. Volgens het hof hadden de spelers de transferbetalingen genoten en wisten zij dat deze betalingen het karakter van loon hadden. Ook de BVO wist dit volgens het hof. De BVO had de opvatting van de inspecteur gemotiveerd bestreden, maar het hof was daar niet op ingegaan. Volgens de Hoge Raad heeft het hof zijn oordeel dat de transferbetalingen loon vormden onvoldoende gemotiveerd. Ook het oordeel van het hof dat de inspecteur de vrije keuze had tussen het opleggen van een naheffingsaanslag loonbelasting aan de BVO of aan de twee spelers was niet juist. Naheffing moet plaatsvinden bij de inhoudingsplichtige, tenzij te weinig belasting is geheven omdat een ander zich niet heeft gehouden aan bepalingen van de belastingwet. In dat geval wordt de naheffingsaanslag opgelegd aan die ander. De inspecteur heeft daarbij geen keuzevrijheid. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Arnhem voor een hernieuwde behandeling in volle omvang, met inachtneming van een eerder arrest in deze langlopende procedure uit 2008.