Toerekening uitkering IOAW aan beide echtgenoten?
Oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers kunnen een beroep doen op een wettelijke inkomensvoorziening, de IOAW. Volgens de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis geldt het recht op uitkering voor de werkloze werknemer en zijn echtgenoot gezamenlijk, ieder voor de helft. De vraag is wat daarvan de consequenties zijn op het gebied van de loon- en inkomstenbelasting.
Iemands echtgenoot vroeg een uitkering aan. Het College van burgemeester en wethouders kende hem een uitkering toe. Bij de afdracht van loonbelasting en premies volksverzekeringen ging de gemeente ervan uit dat de helft van de toegekende IOAW-uitkering door de echtgenote, de belanghebbende in deze procedure, was genoten.
Voor Hof Den Haag was in geschil of zij in het jaar 2003 een uitkering volgens de IOAW had genoten. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend omdat de uitkering uitsluitend aan de echtgenoot en niet aan de belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk was toegekend. Het Hof had echter daaraan voorafgaand vastgesteld dat de uitkering was aangevraagd door de belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk dan wel door de echtgenoot met schriftelijke toestemming van de belanghebbende. Vervolgens merkte het Hof op dat volgens de toepasselijke wettelijke bepalingen het recht op uitkering aan de belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk toekwam. Zonder nadere motivering kon het Hof op basis van het voorafgaande niet concluderen dat de uitkering alleen aan de echtgenoot was toegekend. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Amsterdam voor verdere behandeling.
Oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers kunnen een beroep doen op een wettelijke inkomensvoorziening, de IOAW. Volgens de tekst van de wet en de wetsgeschiedenis geldt het recht op uitkering voor de werkloze werknemer en zijn echtgenoot gezamenlijk, ieder voor de helft. De vraag is wat daarvan de consequenties zijn op het gebied van de loon- en inkomstenbelasting.
Iemands echtgenoot vroeg een uitkering aan. Het College van burgemeester en wethouders kende hem een uitkering toe. Bij de afdracht van loonbelasting en premies volksverzekeringen ging de gemeente ervan uit dat de helft van de toegekende IOAW-uitkering door de echtgenote, de belanghebbende in deze procedure, was genoten.
Voor Hof Den Haag was in geschil of zij in het jaar 2003 een uitkering volgens de IOAW had genoten. Het Hof beantwoordde deze vraag ontkennend omdat de uitkering uitsluitend aan de echtgenoot en niet aan de belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk was toegekend. Het Hof had echter daaraan voorafgaand vastgesteld dat de uitkering was aangevraagd door de belanghebbende en de echtgenoot gezamenlijk dan wel door de echtgenoot met schriftelijke toestemming van de belanghebbende. Vervolgens merkte het Hof op dat volgens de toepasselijke wettelijke bepalingen het recht op uitkering aan de belanghebbende en haar echtgenoot gezamenlijk toekwam. Zonder nadere motivering kon het Hof op basis van het voorafgaande niet concluderen dat de uitkering alleen aan de echtgenoot was toegekend. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar Hof Amsterdam voor verdere behandeling.