
Wanneer een aanslag aanvankelijk tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur dat onder zekere voorwaarden corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. De termijn waarbinnen een navorderingsaanslag moet zijn opgelegd is vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van ontstaan van de belastingschuld. Voor buitenlandse vermogensbestanddelen en buitenlandse inkomsten geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar. Op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie EU moet de inspecteur bij het gebruik maken van de verlengde navorderingstermijn rekening houden met het evenredigheidsbeginsel. Dat houdt in dat de inspecteur vanaf het moment waarop hij aanwijzingen heeft van het bestaan van buitenlandse inkomens- of vermogensbestanddelen niet meer tijd mag gebruiken voor het opleggen van een navorderingsaanslag dan nodig is om de inlichtingen te verkrijgen om de verschuldigde belasting vast te kunnen stellen en voor het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslag zelf.
In een procedure voor Hof Arnhem was de vraag of een navorderingsaanslag in strijd met het evenredigheidsbeginsel was opgelegd. De adviseur van de belastingplichtige had aanvankelijk met de inspecteur gesproken over inkeer, zonder de identiteit van zijn cliënt te onthullen. Pas geruime tijd later was de inspecteur op de hoogte van de identiteit van de betrokkene. Volgens het hof ging pas op dat moment de termijn lopen. Daarna had de inspecteur niet meer dan zeven maanden nodig gehad om de navorderingsaanslag voor te bereiden en vast te stellen. Gelet op het grote aantal stukken dat in de tussenliggende tijd door de Belastingdienst bestudeerd moest worden was dat een aanvaardbare termijn.