
Premies voor lijfrenten zijn onder voorwaarden en tot zekere maxima aftrekbaar. Het fiscale regime voor lijfrenten is door de jaren heen een aantal keer veranderd. Vóór 1 januari 1992 waren de premies voor een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule aftrekbaar.
Iemand met een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule bracht de premies die hij van 1990 tot en met 1999 jaarlijks betaalde als persoonlijke verplichting in aftrek op zijn inkomen. De inspecteur accepteerde de jaarlijkse aftrekposten, ondanks dat de verzekering niet voldeed aan de voorwaarden die met ingang van 1992 gelden. Over de jaren 1994 tot en met 1998 legde de inspecteur navorderingsaanslagen op ter correctie van de premieaftrek.
Bij afkoop van de verzekering in 2004 was de saldomethode op de ontvangen uitkering van toepassing. Niet in aftrek gebrachte premies kwamen voor de belastingheffing over de uitkering in mindering. De vraag was of ook de premies uit de jaren 1992, 1993 en
Volgens Hof Arnhem was dit het geval omdat de wetgever de toepassing van de saldomethode alleen heeft willen uitsluiten voor premies die iemand in aftrek had kunnen brengen en niet voor premies die ten onrechte in aftrek zijn gebracht.
Evenmin konden deze betaalde premies in 2004 als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen tot het inkomen in box worden gerekend. De mogelijkheid geldt namelijk alleen voor premies die volgens de wettelijke bepalingen in aftrek hadden kunnen worden gebracht.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie van de staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het hof afgewezen.