Toepassing S&O afdrachtvermindering onvoldoende onderbouwd: naheffing met boete
De belastingdienst gebruikte de resultaten van een onderzoek bij een werkgever naar diens speur- en ontwikkelingswerk (S&O)-administratie over 1998 voor een naheffingsaanslag over 1996. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was dat toegestaan. De bevindingen over 1998 waren volgens het Hof van dien aard dat aannemelijk was dat de S&O-administratie over 1996 eveneens onvoldoende was. De werkgever maakte volgens het Hof niet aannemelijk dat of in hoeverre de geclaimde afdrachtvermindering juist was.Volgens het Hof had de werkgever moeten beseffen dat voor de gevraagde afdrachtvermindering een deugdelijke administratieve onderbouwing noodzakelijk was. Door daar niet voor te zorgen stelde de werkgever zich willens en wetens bloot aan de niet te verwaarlozen kans dat hij bij controle niet aannemelijk zou kunnen maken dat of in hoeverre de geclaimde S&O-afdrachtvermindering juist was. Het was daarom aan voorwaardelijke opzet van de werkgever te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting werd geheven. Het Hof vond de opgelegde boete passend en geboden. Omdat de lange duur van de behandeling grotendeels was toe te rekenen aan de werkgever was het Hof van oordeel dat er geen overschrijding van de redelijke termijn was geweest. De naheffingsaanslag en de boete bleven in stand.
De belastingdienst gebruikte de resultaten van een onderzoek bij een werkgever naar diens speur- en ontwikkelingswerk (S&O)-administratie over 1998 voor een naheffingsaanslag over 1996. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden was dat toegestaan. De bevindingen over 1998 waren volgens het Hof van dien aard dat aannemelijk was dat de S&O-administratie over 1996 eveneens onvoldoende was. De werkgever maakte volgens het Hof niet aannemelijk dat of in hoeverre de geclaimde afdrachtvermindering juist was.Volgens het Hof had de werkgever moeten beseffen dat voor de gevraagde afdrachtvermindering een deugdelijke administratieve onderbouwing noodzakelijk was. Door daar niet voor te zorgen stelde de werkgever zich willens en wetens bloot aan de niet te verwaarlozen kans dat hij bij controle niet aannemelijk zou kunnen maken dat of in hoeverre de geclaimde S&O-afdrachtvermindering juist was. Het was daarom aan voorwaardelijke opzet van de werkgever te wijten dat aanvankelijk te weinig belasting werd geheven. Het Hof vond de opgelegde boete passend en geboden. Omdat de lange duur van de behandeling grotendeels was toe te rekenen aan de werkgever was het Hof van oordeel dat er geen overschrijding van de redelijke termijn was geweest. De naheffingsaanslag en de boete bleven in stand.