Toepassing projectontwikkelaarsresolutie
Bij de verkrijging van onroerende zaken is overdrachtsbelasting verschuldigd, tenzij het gaat om de levering van nieuwe zaken door een ondernemer. In dat geval is omzetbelasting verschuldigd en geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiƫn uit 2002 kan deze vrijstelling ook worden toegepast op een onroerende zaak die korte tijd als bedrijfsmiddel is gebruikt. Dat besluit is genomen als tegemoetkoming voor de situatie waarin een nieuwe onroerende zaak in afwachting van verkoop tijdelijk wordt verhuurd. Voor toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting moet dan aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1. De overdracht moet binnen zes maanden na de datum van ingebruikneming plaatsvinden;
2. De levering valt van rechtswege onder de omzetbelasting, tenzij sprake is van de overdracht van een onderneming;
3. De verhuur van de onroerende zaak is niet het streven van de verkoper geweest.
De vraag was of de vrijstelling van overdrachtsbelasting gold voor een BV die drie recreatiewoningen kocht, die tijdelijk verhuurd waren door de verkoper.
De verkoper had in januari 2004 bemiddelingsovereenkomsten gesloten voor de verhuur van deze woningen. De feitelijke verhuur vond plaats in de periode van 31 maart 2004 tot 28 september 2004, waarna de woningen op 29 september 2004 werden overgedragen. De verkoper was een projectontwikkelaar, die niet als doel had het beleggen in onroerende zaken. De bepaling dat de bemiddelingsovereenkomsten zouden vervallen bij verkoop van de woningen en het gegeven dat de woningen niet uit de verkoop werden gehaald, wezen er volgens de rechtbank op dat tijdelijke verhuur in afwachting van verkoop de bedoeling van de verkoper was. In het besluit van de staatssecretaris staat niet dat op het moment van levering nog sprake moet zijn van verhuur. De rechtbank zag geen reden om aan te nemen dat de staatssecretaris dat zou hebben bedoeld. Tenslotte oordeelde de rechtbank dat het sluiten van een bemiddelingsovereenkomst niet is gelijk te stellen aan feitelijke verhuur. Voor de beoordeling van de zesmaandsperiode moest niet naar het moment van sluiten van de overeenkomst worden gekeken, maar naar het begin van het feitelijke gebruik. Dat betekende dat op het moment van levering de periode van zes maanden nog niet was verstreken en de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing was.
Bij de verkrijging van onroerende zaken is overdrachtsbelasting verschuldigd, tenzij het gaat om de levering van nieuwe zaken door een ondernemer. In dat geval is omzetbelasting verschuldigd en geldt een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Op grond van een besluit van de staatssecretaris van Financiƫn uit 2002 kan deze vrijstelling ook worden toegepast op een onroerende zaak die korte tijd als bedrijfsmiddel is gebruikt. Dat besluit is genomen als tegemoetkoming voor de situatie waarin een nieuwe onroerende zaak in afwachting van verkoop tijdelijk wordt verhuurd. Voor toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting moet dan aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
1. De overdracht moet binnen zes maanden na de datum van ingebruikneming plaatsvinden;
2. De levering valt van rechtswege onder de omzetbelasting, tenzij sprake is van de overdracht van een onderneming;
3. De verhuur van de onroerende zaak is niet het streven van de verkoper geweest.
De vraag was of de vrijstelling van overdrachtsbelasting gold voor een BV die drie recreatiewoningen kocht, die tijdelijk verhuurd waren door de verkoper.
De verkoper had in januari 2004 bemiddelingsovereenkomsten gesloten voor de verhuur van deze woningen. De feitelijke verhuur vond plaats in de periode van 31 maart 2004 tot 28 september 2004, waarna de woningen op 29 september 2004 werden overgedragen. De verkoper was een projectontwikkelaar, die niet als doel had het beleggen in onroerende zaken. De bepaling dat de bemiddelingsovereenkomsten zouden vervallen bij verkoop van de woningen en het gegeven dat de woningen niet uit de verkoop werden gehaald, wezen er volgens de rechtbank op dat tijdelijke verhuur in afwachting van verkoop de bedoeling van de verkoper was. In het besluit van de staatssecretaris staat niet dat op het moment van levering nog sprake moet zijn van verhuur. De rechtbank zag geen reden om aan te nemen dat de staatssecretaris dat zou hebben bedoeld. Tenslotte oordeelde de rechtbank dat het sluiten van een bemiddelingsovereenkomst niet is gelijk te stellen aan feitelijke verhuur. Voor de beoordeling van de zesmaandsperiode moest niet naar het moment van sluiten van de overeenkomst worden gekeken, maar naar het begin van het feitelijke gebruik. Dat betekende dat op het moment van levering de periode van zes maanden nog niet was verstreken en de vrijstelling van overdrachtsbelasting van toepassing was.