
Ter voorkoming van nadelige gevolgen van de progressie in het inkomstenbelastingtarief bij sterk wisselende inkomens bestaat de zogenaamde middelingsregeling. Deze regeling houdt in dat het inkomen over drie aaneengesloten jaren bij elkaar wordt opgeteld en gedeeld wordt door drie (gemiddeld). Vervolgens wordt over dit gemiddelde inkomen voor ieder jaar de belasting berekend. Het verschil tussen de betaalde belasting en de berekende belasting minus een drempelbedrag wordt op verzoek teruggegeven.
Onder de Wet IB 1964 viel het kalenderjaar waarin de belastingplichtige 65 jaar oud werd buiten het bereik van de middelingsregeling. Voor dit verschil in behandeling bestond een redelijke rechtvaardigingsgrond. Door de daling van het premiepercentage ontstond in het jaar waarin iemand 65 wordt namelijk een herleidings- en uitvoeringsprobleem. Dat werd voorkomen door dit jaar buiten de middelingsregeling te houden. De wetgever heeft een ruime beoordelingsvrijheid bij het beantwoorden van de vraag of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen verschillend te regelen. De regeling was volgens Hof Amsterdam niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Evenmin was sprake van ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie.