Toepassing Nederlandse belastingheffing op rente Belgische AB-houder
Een inwoner van België had in 2001 een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. Hij had een vordering op deze vennootschap van € 1,4 miljoen. Daarover ontving hij in 2001 rente. Deze rente werd in Nederland belast met toepassing van een tarief van 10 % op grond van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing met België. De belanghebbende maakte geen gebruik van de mogelijkheid om te kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Hij was van mening dat met betrekking tot de vordering geen werkzaamheden in Nederland waren verricht, waardoor de genoten rente niet tot het belastbare inkomen kon worden gerekend. Subsidiair was hij van mening dat de renteopbrengst door de Nederlandse kwalificatie niet onder het interestartikel van het verdrag viel maar onder het artikel dat betrekking had op zelfstandige arbeid. Door het ontbreken van een vast middelpunt in Nederland wees het verdrag de heffingsbevoegdheid over dit inkomensbestanddeel toe aan België. Voor de belastingheffing over de inkomsten uit overige werkzaamheden van buitenlandse belastingplichtigen is vereist dat de werkzaamheden in Nederland zijn verricht. Volgens Hof Den Haag voldeed de belanghebbende daaraan doordat hij een vordering had op een in Nederland gevestigde vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang bezat. Het Hof wees de opvatting van de belanghebbende, dat de Nederlandse kwalificatie van de rentebate ook gold voor de toepassing van het verdrag, af. Voor de toepassing van de toewijzingsregels van het verdrag moet een bate zelfstandig worden beoordeeld, onafhankelijk van de daaraan gegeven uitleg in de nationale regelgeving. Voor toepassing van het verdrag viel de bate onder de interestbepaling. Het Hof was van oordeel dat de rentebate terecht tot het belastbare inkomen was gerekend en dat het beroep daarom ongegrond was.
Een inwoner van België had in 2001 een aanmerkelijk belang in een in Nederland gevestigde vennootschap. Hij had een vordering op deze vennootschap van € 1,4 miljoen. Daarover ontving hij in 2001 rente. Deze rente werd in Nederland belast met toepassing van een tarief van 10 % op grond van het verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing met België. De belanghebbende maakte geen gebruik van de mogelijkheid om te kiezen voor de toepassing van de regels voor binnenlandse belastingplichtigen. Hij was van mening dat met betrekking tot de vordering geen werkzaamheden in Nederland waren verricht, waardoor de genoten rente niet tot het belastbare inkomen kon worden gerekend. Subsidiair was hij van mening dat de renteopbrengst door de Nederlandse kwalificatie niet onder het interestartikel van het verdrag viel maar onder het artikel dat betrekking had op zelfstandige arbeid. Door het ontbreken van een vast middelpunt in Nederland wees het verdrag de heffingsbevoegdheid over dit inkomensbestanddeel toe aan België. Voor de belastingheffing over de inkomsten uit overige werkzaamheden van buitenlandse belastingplichtigen is vereist dat de werkzaamheden in Nederland zijn verricht. Volgens Hof Den Haag voldeed de belanghebbende daaraan doordat hij een vordering had op een in Nederland gevestigde vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang bezat. Het Hof wees de opvatting van de belanghebbende, dat de Nederlandse kwalificatie van de rentebate ook gold voor de toepassing van het verdrag, af. Voor de toepassing van de toewijzingsregels van het verdrag moet een bate zelfstandig worden beoordeeld, onafhankelijk van de daaraan gegeven uitleg in de nationale regelgeving. Voor toepassing van het verdrag viel de bate onder de interestbepaling. Het Hof was van oordeel dat de rentebate terecht tot het belastbare inkomen was gerekend en dat het beroep daarom ongegrond was.