
De waardestijging van landbouwgrond valt onder de landbouwvrijstelling. Dat houdt niet in dat de verkoop van landbouwgrond niet kan leiden tot belastingheffing.
Een landbouwer had een erfpachtrecht op een perceel landbouwgrond. Dat recht had hij destijds om niet verkregen. In 1995 verkocht hij de volle eigendom van de landbouwgrond voor een prijs van ƒ 36.058 per hectare aan een derde. Op 1 oktober 1996 werd de blote eigendom van de landbouwgrond aan de landbouwer geleverd voor ƒ 16.800 per hectare. Nog dezelfde dag werd de landbouwgrond aan de derde geleverd. De vraag was of en in hoeverre op de met de verkoop behaalde winst de landbouwvrijstelling van toepassing was.
Hof Leeuwarden was van oordeel dat het erfpachtrecht bij de vestiging waarde had en dat die waarde onderdeel was van de winst en niet onder de landbouwvrijstelling viel. Het hof verwierp het standpunt van de landbouwer dat de beginwaarde van het erfpachtrecht nihil bedroeg. De Hoge Raad onderschrijft het oordeel van het hof.
Het subsidiaire standpunt van de landbouwer hield in dat de beginwaarde van het erfpachtrecht moest worden vastgesteld op basis van de waarde van de landbouwgrond in verpachte staat. Het hof wees ook dat standpunt af omdat de grond niet verpacht was. In cassatie werd dat oordeel van het hof niet bestreden. Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de landbouwer de blote eigendom van de landbouwgrond heeft verkregen voor een lagere prijs dan de waarde in het economische verkeer. De landbouwer heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hieruit voortvloeiende voordeel een voordeel was dat met de waardeverandering van landbouwgrond te maken had.