Toepassing landbouwstructuurvrijstelling
Bij de verkrijging van onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. In diverse situaties gelden vrijstellingen. Zo was er tot 1 januari 2007 een vrijstelling voor verkrijgingen in het belang van verbetering van de landbouwstructuur. De vraag in een procedure was of deze vrijstelling van toepassing was op de verkrijging van de eigendom verworven van een landbouwbedrijf dat op een afstand van vier kilometer was gelegen van het eigen bedrijf van de verkrijger. De verkrijger had dat bedrijf al eerder verkocht, maar had een persoonlijk recht om dit bedrijf nog enige tijd te blijven exploiteren. Deze exploitatie beƫindigde hij twee jaar na de verkrijging van het nieuwe bedrijf.
De belastingdienst weigerde de toepassing van de vrijstelling. Volgens de Hoge Raad was dat niet terecht. De voorwaarden voor de vrijstelling waren dat de verkregen landerijen tenminste een jaar na de verkrijging als landbouwgrond in gebruik waren en dat de afstand van de verkregen landerijen tot de bedrijfsgebouwen van de verkrijger maximaal 25 kilometer bedroeg. De Hoge Raad legde deze voorwaarden zo uit, dat de verkrijger gedurende tenminste dat jaar die afstand tot de bedrijfsgebouwen in stand moet houden, met andere woorden dat gedurende die periode de bedrijfsgebouwen hun functie voor de verkrijger behouden. Aan deze eis was voldaan. De eis dat de titel van het gebruik gedurende dat jaar ongewijzigd moet blijven is nergens gesteld.
Bij de verkrijging van onroerende zaken moet overdrachtsbelasting worden betaald. In diverse situaties gelden vrijstellingen. Zo was er tot 1 januari 2007 een vrijstelling voor verkrijgingen in het belang van verbetering van de landbouwstructuur. De vraag in een procedure was of deze vrijstelling van toepassing was op de verkrijging van de eigendom verworven van een landbouwbedrijf dat op een afstand van vier kilometer was gelegen van het eigen bedrijf van de verkrijger. De verkrijger had dat bedrijf al eerder verkocht, maar had een persoonlijk recht om dit bedrijf nog enige tijd te blijven exploiteren. Deze exploitatie beƫindigde hij twee jaar na de verkrijging van het nieuwe bedrijf.
De belastingdienst weigerde de toepassing van de vrijstelling. Volgens de Hoge Raad was dat niet terecht. De voorwaarden voor de vrijstelling waren dat de verkregen landerijen tenminste een jaar na de verkrijging als landbouwgrond in gebruik waren en dat de afstand van de verkregen landerijen tot de bedrijfsgebouwen van de verkrijger maximaal 25 kilometer bedroeg. De Hoge Raad legde deze voorwaarden zo uit, dat de verkrijger gedurende tenminste dat jaar die afstand tot de bedrijfsgebouwen in stand moet houden, met andere woorden dat gedurende die periode de bedrijfsgebouwen hun functie voor de verkrijger behouden. Aan deze eis was voldaan. De eis dat de titel van het gebruik gedurende dat jaar ongewijzigd moet blijven is nergens gesteld.