Toepassing ijzerenvoorraadstelsel toegestaan bij verwerker van cacaobonen

Een onderdeel van een internationaal concern verwerkte onder meer cacaobonen tot halffabrikaten zoals cacaomassa, cacaoboter en cacaopoeder voor de chocolade-industrie en de levensmiddelenindustrie. Het merendeel van de productie werd verkocht op termijncontracten. De productiecapaciteit was als gevolg daarvan voor de eerste 6 maanden geheel verkocht, voor de daaropvolgende 6 maanden voor 80-90 % en voor het daaropvolgende jaar voor 40-50 %. De prijs van een termijncontract werd vastgesteld op het moment van aangaan van het contract, terwijl betaling na levering plaatsvond. Ook de inkoop van cacaobonen geschiedde voor het overgrote deel op termijncontracten. Omdat de gewenste kwaliteit cacaobonen niet (ver) vóór de oogstperiode kon worden gekocht, liepen de in- en verkoopcontracten niet parallel. Door het verschil in timing tussen verkopen en inkopen bestond er een structurele aanzienlijke "short"-positie. Het prijsrisico op de verkopen werd beperkt door het gebruik van goederentermijncontracten, die betrekking hadden op standaardhoeveelheden standaardbonen en die standaardlooptijden kenden. Omdat vrijwel alle contracten in vreemde valuta werden gesloten maakte het bedrijf gebruik van valutatermijncontracten om koersrisico's af te dekken. Bij de fiscale winstberekening hanteerde het bedrijf het ijzerenvoorraadstelsel. In de resultaatberekening verwerkte het bedrijf het resultaat op open posities, zijnde de resultaten op de termijnverkopen en de termijninkopen. De inspecteur corrigeerde bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting 1997 het aangegeven belastbare bedrag. De correcties bestonden uit het verschil tussen de commerciële en fiscale boekwaarde van de voorraden ad ƒ 87 miljoen en het resultaat op zogenaamde open posities ad ƒ 37 miljoen.Het geschil voor Hof Den Bosch over de winstvaststelling van het bedrijf bestond uit drie onderdelen. De eerste vraag was of het gehanteerde ijzerenvoorraadstelsel in overeenstemming met goed koopmansgebruik was. Vervolgvraag was of bij de berekening van het resultaat op open posities de voorraad moest worden geëlimineerd voor de commerciële of de fiscale boekwaarde. De derde vraag was of de belastbare winst moest worden verminderd met het volle bedrag van de ongerealiseerde winsten of met het bedrag waarmee de ongerealiseerde winsten de ongerealiseerde verliezen op balansdatum overtroffen. Het Hof was van oordeel dat het bedrijf het ijzerenvoorraadstelsel mocht hanteren. De stelling van de inspecteur dat de cacaobonen als onderhanden werk gewaardeerd moesten worden wees het Hof af omdat geen sprake was van de bewerking van partijen in opdracht van afnemers. De keuze om het prijsrisico zoveel mogelijk te beperken had niet tot gevolg dat het bedrijf verplicht was om het stelsel van voorraadwaardering te baseren op de economische voorraad in plaats van de technische voorraad. De op balansdatum afgesloten voorverkopen mochten, voor zover niet gedekt door de surplusvoorraad, aan nieuw in te kopen voorraden worden toegerekend. De consequentie daarvan was volgens het Hof dat in de berekening van het resultaat op open posities de technische voorraad niet alleen commercieel maar ook fiscaal tegen de marktprijs op balansdatum gewaardeerd moest worden. Het Hof deelde het standpunt van de inspecteur dat de door het bedrijf gehanteerde splitsing van ongerealiseerde winsten en ongerealiseerde verliezen op de verkoop- en inkoopcontracten en op de termijncontracten in strijd was met het realiteits- en het matchingbeginsel. Het Hof stelde het belastbare bedrag vast op ƒ 68,5 miljoen.
Een onderdeel van een internationaal concern verwerkte onder meer cacaobonen tot halffabrikaten zoals cacaomassa, cacaoboter en cacaopoeder voor de chocolade-industrie en de levensmiddelenindustrie. Het merendeel van de productie werd verkocht op termijncontracten. De productiecapaciteit was als gevolg daarvan voor de eerste 6 maanden geheel verkocht, voor de daaropvolgende 6 maanden voor 80-90 % en voor het daaropvolgende jaar voor 40-50 %. De prijs van een termijncontract werd vastgesteld op het moment van aangaan van het contract, terwijl betaling na levering plaatsvond. Ook de inkoop van cacaobonen geschiedde voor het overgrote deel op termijncontracten. Omdat de gewenste kwaliteit cacaobonen niet (ver) vóór de oogstperiode kon worden gekocht, liepen de in- en verkoopcontracten niet parallel. Door het verschil in timing tussen verkopen en inkopen bestond er een structurele aanzienlijke "short"-positie. Het prijsrisico op de verkopen werd beperkt door het gebruik van goederentermijncontracten, die betrekking hadden op standaardhoeveelheden standaardbonen en die standaardlooptijden kenden. Omdat vrijwel alle contracten in vreemde valuta werden gesloten maakte het bedrijf gebruik van valutatermijncontracten om koersrisico's af te dekken. Bij de fiscale winstberekening hanteerde het bedrijf het ijzerenvoorraadstelsel. In de resultaatberekening verwerkte het bedrijf het resultaat op open posities, zijnde de resultaten op de termijnverkopen en de termijninkopen. De inspecteur corrigeerde bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting 1997 het aangegeven belastbare bedrag. De correcties bestonden uit het verschil tussen de commerciële en fiscale boekwaarde van de voorraden ad ƒ 87 miljoen en het resultaat op zogenaamde open posities ad ƒ 37 miljoen.Het geschil voor Hof Den Bosch over de winstvaststelling van het bedrijf bestond uit drie onderdelen. De eerste vraag was of het gehanteerde ijzerenvoorraadstelsel in overeenstemming met goed koopmansgebruik was. Vervolgvraag was of bij de berekening van het resultaat op open posities de voorraad moest worden geëlimineerd voor de commerciële of de fiscale boekwaarde. De derde vraag was of de belastbare winst moest worden verminderd met het volle bedrag van de ongerealiseerde winsten of met het bedrag waarmee de ongerealiseerde winsten de ongerealiseerde verliezen op balansdatum overtroffen. Het Hof was van oordeel dat het bedrijf het ijzerenvoorraadstelsel mocht hanteren. De stelling van de inspecteur dat de cacaobonen als onderhanden werk gewaardeerd moesten worden wees het Hof af omdat geen sprake was van de bewerking van partijen in opdracht van afnemers. De keuze om het prijsrisico zoveel mogelijk te beperken had niet tot gevolg dat het bedrijf verplicht was om het stelsel van voorraadwaardering te baseren op de economische voorraad in plaats van de technische voorraad. De op balansdatum afgesloten voorverkopen mochten, voor zover niet gedekt door de surplusvoorraad, aan nieuw in te kopen voorraden worden toegerekend. De consequentie daarvan was volgens het Hof dat in de berekening van het resultaat op open posities de technische voorraad niet alleen commercieel maar ook fiscaal tegen de marktprijs op balansdatum gewaardeerd moest worden. Het Hof deelde het standpunt van de inspecteur dat de door het bedrijf gehanteerde splitsing van ongerealiseerde winsten en ongerealiseerde verliezen op de verkoop- en inkoopcontracten en op de termijncontracten in strijd was met het realiteits- en het matchingbeginsel. Het Hof stelde het belastbare bedrag vast op ƒ 68,5 miljoen.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u