
Voor schenkingen die gedaan worden aan het algemeen nut beogende instellingen geldt een afwijkende regeling in het schenkingsrecht. Tot 2006 gold voor dergelijke instellingen een vast, verlaagd tarief van 11%. De belastingdienst hanteerde voor een aantal algemeen nut beogende instellingen een nog gunstiger regeling. De betreffende instellingen, het Prins Bernhard Cultuurfonds en het Nederlandse Rode Kruis, betaalden geen schenkingsrecht en hoefden zelfs geen aangifte schenkingsrecht te doen. Dat is gebaseerd op besluiten uit 1946 en 1947 van het ministerie van Financiƫn. De Successiewet kent de mogelijkheid van kwijtschelding van schenkingsrecht. Die mogelijkheid bestaat onder meer voor verenigingen en stichtingen die vrijwel uitsluitend de bevordering van kunst en wetenschap nastreven en voor schenkingen die aan een bepaald tijdstip of bepaalde gebeurtenis zijn gebonden. Voorbeelden daarvan zijn schenkingen na rampen als de vuurwerkramp in Enschede.
Diverse andere algemeen nut beogende instellingen meenden met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dat de belastingdienst dit begunstigende beleid ook moest toepassen op schenkingen die zij ontvingen. Dat leidde tot meerdere procedures. De Hoge Raad heeft in een aantal van die procedures nu arrest gewezen.
In een van die arresten heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd. Het hof meende dat de zogenaamde hardheidsclausule een grondslag voor kwijtschelding biedt voor zover geen sprake is van schenkingen in verband met een bepaalde gebeurtenis. De stichting die de procedure voerde had aangevoerd dat het accent bij het Nederlandse Rode Kruis niet langer lag op bijzondere gebeurtenissen. De inspecteur had dat betoog niet bestreden, zodat moest worden uitgegaan van de juistheid van dit betoog. Na verwijzing moet onderzocht worden of het Nederlandse Rode Kruis nog voldeed aan de wettelijke vereisten voor kwijtschelding. Mocht dat niet het geval zijn, dan is niet automatisch sprake van begunstigend beleid. Het is mogelijk dat de faciliteit destijds is verleend omdat toen aan de voorwaarden voor kwijtschelding werd voldaan en de minister ervan uitging dat dit in de toekomst ook het geval zou zijn. In een dergelijk geval kan alleen met behulp van de meerderheidsregel het gelijkheidsbeginsel worden toegepast.
In andere arresten heeft de Hoge Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen.