Toepassing gelijkheidsbeginsel
Een van de beginselen van behoorlijk bestuur is het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel houdt in dat gelijke gevallen in principe gelijk behandeld moeten worden. In een procedure deed de belanghebbende een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de belastingdienst de meerderheid van gelijke gevallen anders had behandeld dan de belanghebbende. Het verschil in behandeling betrof de toepassing van het bijzondere tarief in de inkomstenbelasting, zoals dat onder de wetgeving tot 1 januari 2001 gold.
In totaal 43 deelnemers aan een pensioenregeling hadden een deel van het overrendement van het pensioenfonds uitgekeerd gekregen. Negen van hen verzochten de inspecteur op deze uitkering het bijzondere tarief van de inkomstenbelasting toe te passen. Volgens de wet viel een dergelijke uitkering niet onder het bijzondere tarief. De inspecteur honoreerde dit verzoek in zes gevallen. De inspecteur paste in geen van de 34 gevallen waarin geen verzoek was gedaan het bijzondere tarief toe. Hof Den Haag was van oordeel dat voor de toepassing van de meerderheidsregel alleen gekeken moest worden naar de groep die had verzocht om toepassing van het bijzondere tarief. Die groep bestond uit negen personen, waarvan in zes gevallen het bijzondere tarief was toegepast. Dat betekende volgens het Hof dat ook bij de andere gevallen waarin een verzoek was gedaan het bijzondere tarief toegepast moest worden.
In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders. Voor toepassing van het bijzondere tarief hoefde geen verzoek gedaan te worden, maar moest de inspecteur beoordelen of het bijzondere tarief mogelijk van toepassing was. Dat wil niet zeggen dat alle 43 deelnemers met een eenmalige uitkering gelijke gevallen waren omdat het bijzondere tarief alleen van toepassing was wanneer dit voordeliger was dan heffing volgens de tarieftabel. Alle gevallen waarin de inspecteur het bijzondere tarief, hoewel dat voordeliger was dan het tabeltarief, niet heeft toegepast op de eenmalige uitkering door het pensioenfonds moeten voor de toepassing van de meerderheidsregel worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast. Hof Amsterdam moet nu onderzoeken hoe groot de groep van gelijke gevallen is en in hoeveel gevallen de wet juist is toegepast.
Een van de beginselen van behoorlijk bestuur is het gelijkheidsbeginsel. Dat beginsel houdt in dat gelijke gevallen in principe gelijk behandeld moeten worden. In een procedure deed de belanghebbende een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel omdat de belastingdienst de meerderheid van gelijke gevallen anders had behandeld dan de belanghebbende. Het verschil in behandeling betrof de toepassing van het bijzondere tarief in de inkomstenbelasting, zoals dat onder de wetgeving tot 1 januari 2001 gold.
In totaal 43 deelnemers aan een pensioenregeling hadden een deel van het overrendement van het pensioenfonds uitgekeerd gekregen. Negen van hen verzochten de inspecteur op deze uitkering het bijzondere tarief van de inkomstenbelasting toe te passen. Volgens de wet viel een dergelijke uitkering niet onder het bijzondere tarief. De inspecteur honoreerde dit verzoek in zes gevallen. De inspecteur paste in geen van de 34 gevallen waarin geen verzoek was gedaan het bijzondere tarief toe. Hof Den Haag was van oordeel dat voor de toepassing van de meerderheidsregel alleen gekeken moest worden naar de groep die had verzocht om toepassing van het bijzondere tarief. Die groep bestond uit negen personen, waarvan in zes gevallen het bijzondere tarief was toegepast. Dat betekende volgens het Hof dat ook bij de andere gevallen waarin een verzoek was gedaan het bijzondere tarief toegepast moest worden.
In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders. Voor toepassing van het bijzondere tarief hoefde geen verzoek gedaan te worden, maar moest de inspecteur beoordelen of het bijzondere tarief mogelijk van toepassing was. Dat wil niet zeggen dat alle 43 deelnemers met een eenmalige uitkering gelijke gevallen waren omdat het bijzondere tarief alleen van toepassing was wanneer dit voordeliger was dan heffing volgens de tarieftabel. Alle gevallen waarin de inspecteur het bijzondere tarief, hoewel dat voordeliger was dan het tabeltarief, niet heeft toegepast op de eenmalige uitkering door het pensioenfonds moeten voor de toepassing van de meerderheidsregel worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast. Hof Amsterdam moet nu onderzoeken hoe groot de groep van gelijke gevallen is en in hoeveel gevallen de wet juist is toegepast.