
De Wet op de Vennootschapsbelasting kende een bepaling op grond waarvan de uitkeringen die een vennootschap deed aan een het algemeen nut beogende instelling in mindering konden komen op de winst van de vennootschap. De vennootschap moest daarvoor (nagenoeg) uitsluitend activiteiten verrichten die met als doel het inzamelen van geld voor de instelling. De verplichting tot het doen van uitkeringen moest worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.
Een fondsenwerver-BV had een overeenkomst met een woningstichting. De activiteiten van de stichting bestonden uit de verhuur van woningen in de "sociale sector".
De stichting was houder van alle aandelen in de fondsenwerver. Deze BV verrichtte de voorheen door de stichting geëxploiteerde commerciële activiteiten.
De fondsenwerver behaalde in het jaar 2004 en belastbare winst van € 1,5 miljoen voor aftrek van de uitkering aan de woningstichting. Volgens de Hoge Raad was de woningstichting in 2004 een instelling die het algemeen nut beoogde. De inspecteur had het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.
De stichting beoogde niet alleen het algemeen belang, maar diende dat ook in minstens gelijke mate als een particulier belang door haar feitelijke werkzaamheden op het terrein van de sociale verhuur.
Ten aanzien van de fondsenwerver gold als voorwaarde dat de schriftelijke overeenkomst tot uitkering van winst moest zijn gesloten voordat de fondsenwerver de uit te keren bedragen verkreeg. Omdat de schriftelijke overeenkomst pas op 29 december 2004 tot stand was gekomen, kwam op de winst over 2004 vrijwel niets in aftrek.
De Hoge Raad overwoog verder dat, anders dan de Inspecteur betoogde, voor de aftrek van de uitkeringen door de fondsenwerver niet was vereist dat het publiek op de hoogte was van het fondswervende karakter van de BV.