Toepassing fictie op in buitenland wonende schenker
De Successiewet bevat een aantal zogenaamde fictiebepalingen. Fictiebepalingen in de Successiewet merken bepaalde handelingen aan als erfrechtelijke verkrijgingen, waardoor successierecht betaald moet worden over de waarde van de verkrijging. Een van deze fictiebepalingen betreft schenkingen die iemand binnen 180 dagen voor zijn overlijden heeft gedaan. Deze fictiebepaling is alleen van toepassing op schenkingen die zijn gedaan door iemand die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woont. Voor toepassing van deze bepaling is niet van belang waar de schenker ten tijde van het doen van de schenking woont. Volgens de rechtbank Arnhem kan dat worden afgeleid uit een arrest van de Hoge Raad uit 1996 over een andere fictiebepaling uit de Successiewet. In dat arrest besliste de Hoge Raad dat die fictiebepaling ook van toepassing was op een rechtshandeling die plaatsvond toen de erflater niet in Nederland woonde. Bepalend voor de toepassing van deze fictiebepaling is of op het moment van overlijden aan de voorwaarden is voldaan. Omdat beide bepalingen de overlijdensdatum centraal stellen zag de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad deed.
Evenmin is van belang of degene die de schenking heeft ontvangen ook erfgenaam is van de schenker. In de wetshistorie is in ieder geval geen aanknopingspunt te vinden dat de bedoeling van de wetgever zou zijn om deze fictiebepaling alleen toe te passen op een schenking die wordt gevolgd door een erfrechtelijke verkrijging in de hoedanigheid van erfgenaam. De voorganger van de huidige Successiewet bevat een vergelijkbare bepaling, die tekstueel duidelijker was dan de bepaling in de huidige wet. Volgens de Memorie van Toelichting bij de huidige wet is met de andere redactie geen wijziging bedoeld ten opzichte van de vroegere wet.
De Advocaat Generaal bij de Hoge Raad betoogt in zijn conclusie dat voor de toepassing van de fictiebepaling niet nodig is dat de verkrijger van de schenking ook een erfgenaam van de schenker is. De AG voert wel een aantal argumenten aan die ervoor pleiten om de fictiebepaling niet toe te passen als de schenker ten tijde van de schenking in het buitenland woont. Uiteindelijk geeft voor de AG het eerdere arrest van de Hoge Raad de doorslag gezien de geringe verschillen tussen beide fictiebepalingen. De conclusie strekt daarom tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
De Successiewet bevat een aantal zogenaamde fictiebepalingen. Fictiebepalingen in de Successiewet merken bepaalde handelingen aan als erfrechtelijke verkrijgingen, waardoor successierecht betaald moet worden over de waarde van de verkrijging. Een van deze fictiebepalingen betreft schenkingen die iemand binnen 180 dagen voor zijn overlijden heeft gedaan. Deze fictiebepaling is alleen van toepassing op schenkingen die zijn gedaan door iemand die ten tijde van zijn overlijden in Nederland woont. Voor toepassing van deze bepaling is niet van belang waar de schenker ten tijde van het doen van de schenking woont. Volgens de rechtbank Arnhem kan dat worden afgeleid uit een arrest van de Hoge Raad uit 1996 over een andere fictiebepaling uit de Successiewet. In dat arrest besliste de Hoge Raad dat die fictiebepaling ook van toepassing was op een rechtshandeling die plaatsvond toen de erflater niet in Nederland woonde. Bepalend voor de toepassing van deze fictiebepaling is of op het moment van overlijden aan de voorwaarden is voldaan. Omdat beide bepalingen de overlijdensdatum centraal stellen zag de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen dan de Hoge Raad deed.
Evenmin is van belang of degene die de schenking heeft ontvangen ook erfgenaam is van de schenker. In de wetshistorie is in ieder geval geen aanknopingspunt te vinden dat de bedoeling van de wetgever zou zijn om deze fictiebepaling alleen toe te passen op een schenking die wordt gevolgd door een erfrechtelijke verkrijging in de hoedanigheid van erfgenaam. De voorganger van de huidige Successiewet bevat een vergelijkbare bepaling, die tekstueel duidelijker was dan de bepaling in de huidige wet. Volgens de Memorie van Toelichting bij de huidige wet is met de andere redactie geen wijziging bedoeld ten opzichte van de vroegere wet.
De Advocaat Generaal bij de Hoge Raad betoogt in zijn conclusie dat voor de toepassing van de fictiebepaling niet nodig is dat de verkrijger van de schenking ook een erfgenaam van de schenker is. De AG voert wel een aantal argumenten aan die ervoor pleiten om de fictiebepaling niet toe te passen als de schenker ten tijde van de schenking in het buitenland woont. Uiteindelijk geeft voor de AG het eerdere arrest van de Hoge Raad de doorslag gezien de geringe verschillen tussen beide fictiebepalingen. De conclusie strekt daarom tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.