
Op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap kon een buitenlander de Nederlandse nationaliteit krijgen wanneer hij tenminste drie jaren met een Nederlandse was getrouwd en hij tenminste vijftien jaren toelating en hoofdverblijf had in Nederland of de Nederlandse Antillen. Voor de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit moet de buitenlander die aan de voorwaarden voldoet een verklaring afleggen die door de gemeente waar hij woont, moet worden beoordeeld en bevestigd. Door de bevestiging wordt het Nederlanderschap verkregen.
Op grond van de verkrijging van het Nederlanderschap in 2004 door een buitenlandse diplomaat legde de belastingdienst een naheffingsaanslag op BPM voor een auto, die eerder met gebruikmaking van een vrijstelling voor diplomaten was ingevoerd. De vrijstelling gold destijds (tot 1 juli 1994) voor personenauto's en motorrijwielen die bestemd waren voor persoonlijk gebruik en op voorwaarde dat de houder van de voertuigen geen Nederlander was en hij niet duurzaam in Nederland verbleef.
Ten tijde van de invoer en de registratie van de auto in Nederland in 1993 voldeed de diplomaat aan de voorwaarden voor de vrijstelling. Anders dan de belastingdienst meende heeft de vrijstelling van BPM een definitief karakter. Dat betekent dat wanneer op enig moment na de registratie niet meer wordt voldaan aan de voor de vrijstelling geldende voorwaarden, er niet alsnog BPM verschuldigd wordt. De destijds geldende vrijstelling is weliswaar op 1 juli 1994 ingetrokken en vervangen door een vrijstelling met een voorwaardelijk karakter, maar dat doet volgens de Hoge Raad niet af aan het definitieve karakter van vóór 1 juli 1994 verleende vrijstellingen.