Toch overgangsregeling oud regimepolis van toepassing
Met ingang van 15 oktober 1990 is de Brede Herwaardering van lijfrente- en kapitaalverzekeringen in werking getreden. De fiscale behandeling van levensverzekeringen en de voorwaarden die gelden zijn daardoor ingrijpend veranderd. Voor bestaande verzekeringen gold een overgangsregeling. Voor verzekeringen die rond genoemde datum tot stand zijn gekomen was het van belang om te bepalen of het oude regime nog kon worden toegepast of niet. In een procedure over een dergelijke verzekering, waarbij de vraag was of de overgangsregeling van toepassing was, ging Hof Den Bosch er veronderstellenderwijze van uit dat het indienen van een aanvraagformulier voor een verzekering gold als de aanvaarding van een aanbod van de verzekeringsmaatschappij. De lijfrenteovereenkomst kwam in die veronderstelling tot stand op het tijdstip waarop de verzekeringsmaatschappij het aanvraagformulier ontving. Volgens de Hoge Raad was dat oordeel juist. Het Hof nam verder aan dat de tussenpersoon het aanvraagformulier pas een of twee dagen later overhandigde aan de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij. Omdat de verzekeringsinspecteur geen volmacht had om verzekeringen te sluiten lag volgens het Hof het tijdstip van totstandkoming van de verzekering niet op het moment waarop de inspecteur het formulier ontving maar op het tijdstip waarop hij het formulier op het kantoor van de verzekeringsmaatschappij afgaf. Volgens de Hoge Raad was het echter mogelijk dat de inspecteur wel gevolmachtigd was om het aanvraagformulier namens de verzekeringsmaatschappij in ontvangst te nemen. In dat geval had met de ontvangst door de verzekeringsinspecteur het aanvraagformulier de verzekeringsmaatschappij dus bereikt. Vervolgens moest Hof Arnhem onderzoeken of de verzekeringsmaatschappij uiterlijk op 15 oktober 1990 het aanvraagformulier had ontvangen. De inspecteur slaagde er niet in te bewijzen dat de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij niet gevolmachtigd was om het aanvraagformulier waarmee de belanghebbende het aanbod van de maatschappij had aanvaard in ontvangst te nemen.De verzekeringsinspecteur verklaarde als getuige ter zitting van het Hof dat hij in de maanden september en oktober 1990 de tussenpersoon tweemaal per maand bezocht en dan alle aanvraagformulieren meenam om deze door te sturen naar de verzekeringsmaatschappij.Op grond van deze verklaring was het niet aannemelijk dat de verzekeringsinspecteur het aanvraagformulier pas na 15 oktober 1990 zou hebben ontvangen. Mede gelet op het grote tijdsverloop moest de inspecteur bewijzen dat het formulier niet vóór 15 oktober 1990 in ontvangst kon zijn genomen. Het Hof was van oordeel dat de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule uiterlijk op 15 oktober 1990 tot stand was gekomen. Daarmee voldeed de verzekering aan de voorwaarden voor de overgangsregeling en was de premie in de volgende jaren aftrekbaar.
Met ingang van 15 oktober 1990 is de Brede Herwaardering van lijfrente- en kapitaalverzekeringen in werking getreden. De fiscale behandeling van levensverzekeringen en de voorwaarden die gelden zijn daardoor ingrijpend veranderd. Voor bestaande verzekeringen gold een overgangsregeling. Voor verzekeringen die rond genoemde datum tot stand zijn gekomen was het van belang om te bepalen of het oude regime nog kon worden toegepast of niet. In een procedure over een dergelijke verzekering, waarbij de vraag was of de overgangsregeling van toepassing was, ging Hof Den Bosch er veronderstellenderwijze van uit dat het indienen van een aanvraagformulier voor een verzekering gold als de aanvaarding van een aanbod van de verzekeringsmaatschappij. De lijfrenteovereenkomst kwam in die veronderstelling tot stand op het tijdstip waarop de verzekeringsmaatschappij het aanvraagformulier ontving. Volgens de Hoge Raad was dat oordeel juist. Het Hof nam verder aan dat de tussenpersoon het aanvraagformulier pas een of twee dagen later overhandigde aan de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij. Omdat de verzekeringsinspecteur geen volmacht had om verzekeringen te sluiten lag volgens het Hof het tijdstip van totstandkoming van de verzekering niet op het moment waarop de inspecteur het formulier ontving maar op het tijdstip waarop hij het formulier op het kantoor van de verzekeringsmaatschappij afgaf. Volgens de Hoge Raad was het echter mogelijk dat de inspecteur wel gevolmachtigd was om het aanvraagformulier namens de verzekeringsmaatschappij in ontvangst te nemen. In dat geval had met de ontvangst door de verzekeringsinspecteur het aanvraagformulier de verzekeringsmaatschappij dus bereikt. Vervolgens moest Hof Arnhem onderzoeken of de verzekeringsmaatschappij uiterlijk op 15 oktober 1990 het aanvraagformulier had ontvangen. De inspecteur slaagde er niet in te bewijzen dat de inspecteur van de verzekeringsmaatschappij niet gevolmachtigd was om het aanvraagformulier waarmee de belanghebbende het aanbod van de maatschappij had aanvaard in ontvangst te nemen.De verzekeringsinspecteur verklaarde als getuige ter zitting van het Hof dat hij in de maanden september en oktober 1990 de tussenpersoon tweemaal per maand bezocht en dan alle aanvraagformulieren meenam om deze door te sturen naar de verzekeringsmaatschappij.Op grond van deze verklaring was het niet aannemelijk dat de verzekeringsinspecteur het aanvraagformulier pas na 15 oktober 1990 zou hebben ontvangen. Mede gelet op het grote tijdsverloop moest de inspecteur bewijzen dat het formulier niet vóór 15 oktober 1990 in ontvangst kon zijn genomen. Het Hof was van oordeel dat de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule uiterlijk op 15 oktober 1990 tot stand was gekomen. Daarmee voldeed de verzekering aan de voorwaarden voor de overgangsregeling en was de premie in de volgende jaren aftrekbaar.