Tijdstip staking en toepassing landbouwvrijstelling
Voor agrarische ondernemers kent de inkomstenbelasting een vrijstelling voor de waardeontwikkeling van landbouwgrond, de landbouwvrijstelling. Vooruitlopend op de invoering van de Wet IB 2001 is de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 gewijzigd. Onder de oude regeling was de waardevermeerdering door bestemmingswijziging belast. Bij staking van de onderneming en overgang van de woning naar het privévermogen was er geen sprake van een bestemmingswijziging. Onder de nieuwe regeling is een bestemmingswijziging niet meer relevant. Elke waardeverandering van de grond die los staat van de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer van een landbouwbedrijf is belast. Vanwege de beperking van de vrijstelling was het voor bedrijfsbeëindiging in 2000 van belang of deze voor of na 27 juni plaatsvond. Het moment waarop een onderneming is beëindigd is volgens de Hoge Raad het moment waarop de exploitatie zodanig is veranderd dat deze niet langer de uitoefening van een onderneming vormt.
Een echtpaar dreef in de vorm van een maatschap een struisvogelfokkerij. Begin 2000 stopte het echtpaar met het actief fokken van struisvogels. Per 1 mei 2000 ging de man vier dagen per week in loondienst werken. Ook de vrouw had gedurende de gehele week werkzaamheden buiten de onderneming. Begin juni 2000 besloot het echtpaar de activiteiten te beëindigen. Omdat verkoop of slacht van de nog aanwezige 112 struisvogels niet mogelijk was besloten zij de dieren te mesten en daarna te verkopen. In december 2000 werden de laatste dieren verkocht. Volgens Hof Arnhem was het bedrijf pas op dat moment beëindigd. Het mesten van vogels was onderdeel van de normale bedrijfsactiviteiten en werd tot december 2000 voortgezet. Het stoppen met het fokken van struisvogels aan het begin van het jaar was niet zo ingrijpend dat de resterende activiteiten geen onderneming meer konden vormen, aldus het Hof. Bepalend daarvoor waren onder meer de omvang van de veestapel, de hoogte van de opbrengsten en kosten en de gelopen ondernemersrisico’s. Het oordeel van het Hof had tot gevolg dat het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de ondergrond van de bedrijfswoning en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van deze grond niet meer onder de landbouwvrijstelling viel, maar belast was.
Voor agrarische ondernemers kent de inkomstenbelasting een vrijstelling voor de waardeontwikkeling van landbouwgrond, de landbouwvrijstelling. Vooruitlopend op de invoering van de Wet IB 2001 is de landbouwvrijstelling per 27 juni 2000 gewijzigd. Onder de oude regeling was de waardevermeerdering door bestemmingswijziging belast. Bij staking van de onderneming en overgang van de woning naar het privévermogen was er geen sprake van een bestemmingswijziging. Onder de nieuwe regeling is een bestemmingswijziging niet meer relevant. Elke waardeverandering van de grond die los staat van de ontwikkeling van de waarde in het economische verkeer van een landbouwbedrijf is belast. Vanwege de beperking van de vrijstelling was het voor bedrijfsbeëindiging in 2000 van belang of deze voor of na 27 juni plaatsvond. Het moment waarop een onderneming is beëindigd is volgens de Hoge Raad het moment waarop de exploitatie zodanig is veranderd dat deze niet langer de uitoefening van een onderneming vormt.
Een echtpaar dreef in de vorm van een maatschap een struisvogelfokkerij. Begin 2000 stopte het echtpaar met het actief fokken van struisvogels. Per 1 mei 2000 ging de man vier dagen per week in loondienst werken. Ook de vrouw had gedurende de gehele week werkzaamheden buiten de onderneming. Begin juni 2000 besloot het echtpaar de activiteiten te beëindigen. Omdat verkoop of slacht van de nog aanwezige 112 struisvogels niet mogelijk was besloten zij de dieren te mesten en daarna te verkopen. In december 2000 werden de laatste dieren verkocht. Volgens Hof Arnhem was het bedrijf pas op dat moment beëindigd. Het mesten van vogels was onderdeel van de normale bedrijfsactiviteiten en werd tot december 2000 voortgezet. Het stoppen met het fokken van struisvogels aan het begin van het jaar was niet zo ingrijpend dat de resterende activiteiten geen onderneming meer konden vormen, aldus het Hof. Bepalend daarvoor waren onder meer de omvang van de veestapel, de hoogte van de opbrengsten en kosten en de gelopen ondernemersrisico’s. Het oordeel van het Hof had tot gevolg dat het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de ondergrond van de bedrijfswoning en de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming van deze grond niet meer onder de landbouwvrijstelling viel, maar belast was.