
Loon wordt belast op het moment van betaling of op het moment waarop het loon vorderbaar en inbaar is. De vraag in een procedure voor de Hoge Raad was in welk jaar een ontslaguitkering belast moest worden. Na een slepende procedure over het ontslag en de eventuele vergoeding, bereikten werkgever en werknemer in 2002 overeenstemming over de hoogte van de ontslagvergoeding. Aanvankelijk wilde de werknemer de vergoeding gebruiken voor een oudedagsvoorziening, maar eind 2003 zag hij daarvan af en verzocht hij om uitbetaling van de vergoeding. De feitelijke betaling vond plaats in 2004. De inspecteur belastte de uitkering in dat jaar. Hof Den Haag was van oordeel dat de ontslaguitkering pas in het jaar 2004 vorderbaar en inbaar was. Volgens het hof heeft een werknemer, aan wie een ontslaguitkering wordt toegekend, het recht om te kiezen hoe hij de uitkering wil gebruiken. Dat keuzerecht verhindert dat de ontslaguitkering direct in de heffing van de inkomstenbelasting kan worden betrokken. Zolang de werknemer zijn keuze niet heeft gemaakt, is van inbaarheid geen sprake. Wel moet de werknemer zijn keuze binnen een redelijke termijn maken. Kennelijk was in de ogen van het hof deze redelijke termijn nog niet verstreken toen de werknemer in december 2003 om uitbetaling van een bedrag ineens vroeg. Omdat de werkgever enige tijd gegund moest worden voor de administratieve verwerking, sloot het hof aan bij het moment van feitelijke betaling. Volgens de Hoge Raad ging het hof daarbij niet uit van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het hof terecht belastingheffing over de ontslaguitkering in het jaar 2004 toegestaan.