Tijdsevenredig forfaitair rendement in jaar van overlijden partner
De wet IB 2001 kent het begrip fiscale partner. Het partnerschap heeft bepaalde gevolgen voor de toerekening van inkomensbestanddelen. Echtgenoten zijn elkaars fiscale partner; ongehuwd samenwonenden kunnen kiezen voor partnerschap. Wanneer het partnerschap in de loop van een jaar eindigt kunnen de voormalige partners ervoor kiezen om het partnerschap de rest van het kalenderjaar te laten voortduren. Die keuzemogelijkheid doet zich ondermeer voor bij overlijden van een echtgenoot. Deze keuze werd door iemands nabestaanden gemaakt in de aangifte van het inkomen van de erflater. Alle bestanddelen van de rendementsgrondslag van de erflater en van zijn weduwe werden in die aangifte toegerekend aan de erflater. Door het onherroepelijk worden van de aan de weduwe opgelegde aanslag werden deze keuzes ook onherroepelijk. De inspecteur stelde de aanslag van de erflater vast, met als einddatum voor de berekening van de rendementsgrondslag 31 december 2001.Hof Leeuwarden heeft in de procedure over de aanslag die aan de erflater was opgelegd de einddatum voor de berekening van de rendementsgrondslag gesteld op de overlijdensdatum van de erflater. Het Hof bepaalde het eindvermogen op het gezamenlijke vermogen van de erflater en de weduwe per overlijdensdatum en herleidde het forfaitaire rendement naar tijdsgelang tot een rendementspercentage van 1. De staatssecretaris ging in cassatie omdat hij meende dat de keuze voor "voljaarspartnerschap" consequent moest worden gevolgd. Voor de vermogensrendementsheffing moet worden uitgegaan van het vermogen op het einde van het kalenderjaar en niet van het vermogen op de overlijdensdatum. Tijdsevenredige herrekening van het forfaitaire rendementspercentage past niet bij die keuze, aldus de staatssecretaris. De Hoge Raad is het met de opvatting van de staatssecretaris niet eens. De keuze voor voortzetting van het partnerschap geldt volgens de tekst van de wet slechts voor de toepassing van het specifieke wetsartikel. Voor de aftrek van buitengewone uitgaven en aftrekbare giften heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzieningen getroffen voor de samenloop met dit wetsartikel.
De wet IB 2001 kent het begrip fiscale partner. Het partnerschap heeft bepaalde gevolgen voor de toerekening van inkomensbestanddelen. Echtgenoten zijn elkaars fiscale partner; ongehuwd samenwonenden kunnen kiezen voor partnerschap. Wanneer het partnerschap in de loop van een jaar eindigt kunnen de voormalige partners ervoor kiezen om het partnerschap de rest van het kalenderjaar te laten voortduren. Die keuzemogelijkheid doet zich ondermeer voor bij overlijden van een echtgenoot. Deze keuze werd door iemands nabestaanden gemaakt in de aangifte van het inkomen van de erflater. Alle bestanddelen van de rendementsgrondslag van de erflater en van zijn weduwe werden in die aangifte toegerekend aan de erflater. Door het onherroepelijk worden van de aan de weduwe opgelegde aanslag werden deze keuzes ook onherroepelijk. De inspecteur stelde de aanslag van de erflater vast, met als einddatum voor de berekening van de rendementsgrondslag 31 december 2001.Hof Leeuwarden heeft in de procedure over de aanslag die aan de erflater was opgelegd de einddatum voor de berekening van de rendementsgrondslag gesteld op de overlijdensdatum van de erflater. Het Hof bepaalde het eindvermogen op het gezamenlijke vermogen van de erflater en de weduwe per overlijdensdatum en herleidde het forfaitaire rendement naar tijdsgelang tot een rendementspercentage van 1. De staatssecretaris ging in cassatie omdat hij meende dat de keuze voor "voljaarspartnerschap" consequent moest worden gevolgd. Voor de vermogensrendementsheffing moet worden uitgegaan van het vermogen op het einde van het kalenderjaar en niet van het vermogen op de overlijdensdatum. Tijdsevenredige herrekening van het forfaitaire rendementspercentage past niet bij die keuze, aldus de staatssecretaris. De Hoge Raad is het met de opvatting van de staatssecretaris niet eens. De keuze voor voortzetting van het partnerschap geldt volgens de tekst van de wet slechts voor de toepassing van het specifieke wetsartikel. Voor de aftrek van buitengewone uitgaven en aftrekbare giften heeft de wetgever uitdrukkelijk voorzieningen getroffen voor de samenloop met dit wetsartikel.