Teruglevering binnen oorspronkelijke herzieningstermijn leidt niet tot herleving herziening
De belastingdienst legde aan een woningbouwcorporatie een naheffingsaanslag omzetbelasting op. De naheffingsaanslag had betrekking op de gevolgen voor de omzetbelasting van de terugoverdracht aan de corporatie van de rechten van vruchtgebruik en op de gevolgen voor de omzetbelasting van onderhoudscontracten, die de corporatie aan zijn huurders aanbood. De corporatie had de rechten van vruchtgebruik gevestigd op een aantal woningen. Deze vestiging vormde voor de omzetbelasting een belaste levering, zodat de corporatie destijds terecht de hieraan toe te rekenen voorbelasting in aftrek had gebracht. De terugoverdracht vond plaats binnen 10 jaar na de eerste ingebruikneming. Na de terugoverdracht verhuurde de corporatie de woningen aan de bewoners. Verhuur van woningen is een vrijgestelde prestatie. In geschil was of door de eerdere levering van de onroerende zaken de aftrek van voorbelasting definitief was geworden of dat de herzieningsbepalingen herleefden door de terugoverdracht van het vruchtgebruik omdat de oorspronkelijke herzieningstermijn nog niet was verstreken. Volgens Hof Amsterdam houdt het voor beperkte rechten op onroerende zaken geldende stelsel in dat het gebruik van de onroerende zaak door de eigenaar eindigt, ingeval de vestiging van een beperkt recht als een levering geldt. De aftrek van voorbelasting is dan definitief geworden. Eventuele herziening van de aftrek wordt afgesloten met de toepassing van de fictie dat het verdere gebruik als belast geldt. Een heropening van de herziening van de voorbelasting voor het geval de onroerende zaak binnen de aanvankelijk geldende herzieningsperiode weer bij de eigenaar terugkeert zou inbreuk maken op het definitieve karakter van de eerdere levering. Dit gedeelte van de naheffingsaanslag verviel.Ten aanzien van de servicecontracten was het Hof van oordeel dat er sprake was van een zelfstandige dienst naast de verhuur van woningen en niet van een bijkomende dienst.Deze zelfstandige dienst vormde een belaste prestatie. Het beroep van de corporatie op een besluit van de staatssecretaris van Financiƫn uit 1994 wees het Hof af.Volgens het Hof kon de corporatie daaruit niet afleiden dat geen omzetbelasting verschuldigd was. Het besluit had namelijk betrekking op vergoedingen ter zake van onderhoudscontracten tussen woningcorporaties en -verenigingen enz. onderling. Het tweede gedeelte van de naheffingsaanslag bleef in stand.
De belastingdienst legde aan een woningbouwcorporatie een naheffingsaanslag omzetbelasting op. De naheffingsaanslag had betrekking op de gevolgen voor de omzetbelasting van de terugoverdracht aan de corporatie van de rechten van vruchtgebruik en op de gevolgen voor de omzetbelasting van onderhoudscontracten, die de corporatie aan zijn huurders aanbood. De corporatie had de rechten van vruchtgebruik gevestigd op een aantal woningen. Deze vestiging vormde voor de omzetbelasting een belaste levering, zodat de corporatie destijds terecht de hieraan toe te rekenen voorbelasting in aftrek had gebracht. De terugoverdracht vond plaats binnen 10 jaar na de eerste ingebruikneming. Na de terugoverdracht verhuurde de corporatie de woningen aan de bewoners. Verhuur van woningen is een vrijgestelde prestatie. In geschil was of door de eerdere levering van de onroerende zaken de aftrek van voorbelasting definitief was geworden of dat de herzieningsbepalingen herleefden door de terugoverdracht van het vruchtgebruik omdat de oorspronkelijke herzieningstermijn nog niet was verstreken. Volgens Hof Amsterdam houdt het voor beperkte rechten op onroerende zaken geldende stelsel in dat het gebruik van de onroerende zaak door de eigenaar eindigt, ingeval de vestiging van een beperkt recht als een levering geldt. De aftrek van voorbelasting is dan definitief geworden. Eventuele herziening van de aftrek wordt afgesloten met de toepassing van de fictie dat het verdere gebruik als belast geldt. Een heropening van de herziening van de voorbelasting voor het geval de onroerende zaak binnen de aanvankelijk geldende herzieningsperiode weer bij de eigenaar terugkeert zou inbreuk maken op het definitieve karakter van de eerdere levering. Dit gedeelte van de naheffingsaanslag verviel.Ten aanzien van de servicecontracten was het Hof van oordeel dat er sprake was van een zelfstandige dienst naast de verhuur van woningen en niet van een bijkomende dienst.Deze zelfstandige dienst vormde een belaste prestatie. Het beroep van de corporatie op een besluit van de staatssecretaris van Financiƫn uit 1994 wees het Hof af.Volgens het Hof kon de corporatie daaruit niet afleiden dat geen omzetbelasting verschuldigd was. Het besluit had namelijk betrekking op vergoedingen ter zake van onderhoudscontracten tussen woningcorporaties en -verenigingen enz. onderling. Het tweede gedeelte van de naheffingsaanslag bleef in stand.