
Een in Spanje gevestigde vennootschap had een deelneming van 5,48% in een Nederlandse NV. De NV keerde in de jaren 2003 tot en met 2005 dividend uit aan de Spaanse vennootschap en hield daarop 15% dividendbelasting in. Dat percentage was gebaseerd op het Nederlands-Spaanse belastingverdrag. De Spaanse vennootschap verzocht eind 2006 de Nederlandse belastingdienst om teruggave van de ingehouden dividendbelasting. De inspecteur wees dit verzoek af omdat het te laat was gedaan.
De vraag in een procedure voor Hof Den Bosch was of dit verzoek tijdig was gedaan.
De inspecteur erkende in hoger beroep dat de Spaanse vennootschap materieel recht had op teruggaaf, maar vond dat de vennootschap de mogelijkheid had gehad om een aangifte vennootschapsbelasting in te dienen.
Volgens het hof had de inspecteur de brief van de Spaanse vennootschap moeten aanmerken als een verzoek om uitreiking van aangiftebiljetten. De wet bepaalt dat de inspecteur op een dergelijk verzoek aangiftebiljetten moet uitreiken. Vervolgens had de inspecteur aanslagen kunnen vaststellen en daarbij de ingehouden dividendbelasting als voorheffing verrekenen. Het hof oordeelde dat de ingehouden dividendbelasting alsnog moest worden teruggegeven.