
Een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd pensioenfonds zonder rechtspersoonlijkheid ontving in het jaar 2002 dividend uit Nederland, waarop Nederlandse dividendbelasting was ingehouden. Het pensioenfonds verzocht in 2007 om teruggaaf van de in 2002 ingehouden dividendbelasting. Voor een dergelijk verzoek geldt echter een termijn van drie jaar. Vanwege overschrijding van de termijn verklaarde de inspecteur het verzoek niet-ontvankelijk. In beroep oordeelde de rechtbank dat het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting terecht niet-ontvankelijk was verklaard. De termijn van drie jaren is niet in strijd geoordeeld met het Europese recht. De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af. Volgens de Hoge Raad hoeft voor niet-ingezetenen geen langere termijn voor het doen van een teruggaafverzoek te gelden dan voor een Nederlandse belastingplichtige. De nationale regeling bemoeilijkte de uitoefening van op het gemeenschapsrecht gegronde rechten niet.
De Hoge Raad wees ook het beroep van het pensioenfonds op beleid van de inspecteur dat voorzag in het ambtshalve verlenen van teruggaaf van dividendbelasting aan in Nederland gevestigde pensioenfondsen af. Als de niet-ontvankelijkverklaring al een weigering van de inspecteur inhield om ambtshalve de dividendbelasting terug te geven, dan is dat een beslissing waartegen geen bezwaar en beroep kan worden ingesteld.