Terecht boetes opgelegd omdat verzekeringsplicht DGA al eerder was vastgesteld
Tijdens een eerdere looncontrole over de jaren tot en met 1994 had het UWV vastgesteld dat een directeur van een BV, die via zijn persoonlijke vennootschap 40% van de aandelen van de BV in handen had, in dienstbetrekking werkzaam was bij deze BV. Het beroep van de BV tegen deze beslissing was volgens de rechtbank ongegrond. De andere directeur had via zijn persoonlijke vennootschap een belang van 60%. Hij was niet in dienstbetrekking werkzaam. Een voorgenomen statutenwijziging, waardoor voor het ontslag van een bestuurder tweederde meerderheid in plaats van een volstrekte meerderheid in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders nodig zou zijn, was niet geëffectueerd. Door die statutenwijziging zou er geen sprake meer zijn van een dienstbetrekking omdat de directeur niet tegen zijn wil ontslagen kon worden. In 1999 verkochten beide persoonlijke vennootschappen de aandelen in de BV. De directeuren bleven wel werken voor de BV. Het UWV legde correctienota’s op over de jaren 1996 tot en met 2000. Ook werden er boetes opgelegd ter hoogte van 25% van de verschuldigde premie over de jaren 1996 tot en met 1999 en van 100% over het jaar 2000. De rechtbank verminderde de boete over 2000 tot 37,5%. In hoger beroep bestreed de BV de juistheid van de uitspraak van de rechtbank. Volgens de Centrale Raad van Beroep was het oordeel van de rechtbank dat sprake was van opzet of grove schuld juist. De BV wist of had moeten weten dat zij over deze jaren loonopgave moest doen voor haar directeur, omdat al in 1996 de verzekeringsplicht was vastgesteld, ook al stond dat besluit nog niet in rechte vast. De voorgenomen statutenwijziging die was bedoeld om een einde te maken aan de verzekeringsplicht van de directeur kwam niet tot stand als gevolg van een nalatigheid van de BV om de notaris op de hoogte te stellen van haar nieuwe vestigingsadres. De BV had daarna niet geverifieerd of de statutenwijziging was doorgevoerd en kon er daarom niet van uitgaan dat de directeur niet langer verzekeringsplichtig was. Wegens een eerste verzuim was terecht een boete opgelegd van 25% na gedeeltelijke kwijtschelding. De BV had de wijziging in de aandelenverhouding moeten melden aan het UWV, omdat beide directeuren daardoor niet langer aandeelhouder waren. De BV betwistte de verzekeringsplicht van beide directeuren na de verkoop van de aandelen niet, maar deed geen opgave van het aan hen betaalde loon. Volgens de Centrale Raad van Beroep was er sprake van opzet of grove schuld bij de BV. Er waren geen omstandigheden op grond waarvan de opgelegde boete van 37,5% van de verschuldigde premie zou moeten worden verminderd.
Tijdens een eerdere looncontrole over de jaren tot en met 1994 had het UWV vastgesteld dat een directeur van een BV, die via zijn persoonlijke vennootschap 40% van de aandelen van de BV in handen had, in dienstbetrekking werkzaam was bij deze BV. Het beroep van de BV tegen deze beslissing was volgens de rechtbank ongegrond. De andere directeur had via zijn persoonlijke vennootschap een belang van 60%. Hij was niet in dienstbetrekking werkzaam. Een voorgenomen statutenwijziging, waardoor voor het ontslag van een bestuurder tweederde meerderheid in plaats van een volstrekte meerderheid in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders nodig zou zijn, was niet geëffectueerd. Door die statutenwijziging zou er geen sprake meer zijn van een dienstbetrekking omdat de directeur niet tegen zijn wil ontslagen kon worden. In 1999 verkochten beide persoonlijke vennootschappen de aandelen in de BV. De directeuren bleven wel werken voor de BV. Het UWV legde correctienota’s op over de jaren 1996 tot en met 2000. Ook werden er boetes opgelegd ter hoogte van 25% van de verschuldigde premie over de jaren 1996 tot en met 1999 en van 100% over het jaar 2000. De rechtbank verminderde de boete over 2000 tot 37,5%. In hoger beroep bestreed de BV de juistheid van de uitspraak van de rechtbank. Volgens de Centrale Raad van Beroep was het oordeel van de rechtbank dat sprake was van opzet of grove schuld juist. De BV wist of had moeten weten dat zij over deze jaren loonopgave moest doen voor haar directeur, omdat al in 1996 de verzekeringsplicht was vastgesteld, ook al stond dat besluit nog niet in rechte vast. De voorgenomen statutenwijziging die was bedoeld om een einde te maken aan de verzekeringsplicht van de directeur kwam niet tot stand als gevolg van een nalatigheid van de BV om de notaris op de hoogte te stellen van haar nieuwe vestigingsadres. De BV had daarna niet geverifieerd of de statutenwijziging was doorgevoerd en kon er daarom niet van uitgaan dat de directeur niet langer verzekeringsplichtig was. Wegens een eerste verzuim was terecht een boete opgelegd van 25% na gedeeltelijke kwijtschelding. De BV had de wijziging in de aandelenverhouding moeten melden aan het UWV, omdat beide directeuren daardoor niet langer aandeelhouder waren. De BV betwistte de verzekeringsplicht van beide directeuren na de verkoop van de aandelen niet, maar deed geen opgave van het aan hen betaalde loon. Volgens de Centrale Raad van Beroep was er sprake van opzet of grove schuld bij de BV. Er waren geen omstandigheden op grond waarvan de opgelegde boete van 37,5% van de verschuldigde premie zou moeten worden verminderd.