
De exploitant van een kunstencentrum stelde op basis van exclusiviteit tegen een vooraf overeengekomen prijs en voor een bepaalde tijd ruimte ter beschikking aan organisaties en instellingen op het gebied van de toonkunst.
Bij de ingebruikneming van het kunstencentrum in 2002 was voor de omzetbelasting sprake van een interne levering. De verschuldigde omzetbelasting bedroeg € 857.136, waarvan 48% aftrekbaar was. De inspecteur meende dat over 2002 herrekening moest plaatsvinden naar een aftrekpercentage van 45 en legde een naheffingsaanslag op van € 25.714.
Volgens Hof Den Haag verrichtte de exploitant een hoofdprestatie met enkele bijkomende diensten. De hoofdprestatie bestond uit de verhuur van onroerende zaken. Dat is een van omzetbelasting vrijgestelde prestatie. Dat betekende dat de in aftrek gebrachte voorbelasting in principe moest worden gecorrigeerd. Bij de herziening van de aftrek van voorbelasting geldt echter dat herziening achterwege blijft als het verschil tussen de aanvankelijk in aftrek gebrachte en aan het jaar toe te rekenen omzetbelasting minder is dan 10%. Volgens het hof geldt die regel ook in het jaar waarin een zaak in gebruik wordt genomen. Het hof vernietigde daarom de naheffingsaanslag.