
BV’s hebben de mogelijkheid om de pensioenregeling voor hun dga niet onder te brengen bij een verzekeringsmaatschappij of een pensioenfonds maar in eigen beheer een pensioenvoorziening te vormen. Daarbij geldt als beperking dat ondernemingen bij het bepalen van de winst geen rekening mogen houden met kosten en lasten die verband houden met wijzigingen in de hoogte van lonen of prijzen na afloop van het jaar. Voor pensioenvoorzieningen geldt dat aan deze eis is voldaan als de pensioengrondslag niet hoger is dan het loon aan het einde van het jaar en als een rekenrente wordt gehanteerd van 4% of hoger.
Een BV kende een pensioenregeling die voorzag in een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen. De pensioenregeling bevatte een indexatiebepaling. Bij de overdracht van de opgebouwde pensioenvoorziening aan een pensioenstichting werd de netto actuariële koopsom berekend met toepassing van leeftijdsterugstelling, een rekenrente van 3,74% en
een na-indexatie van 2,11%. Bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting voor het jaar van overdracht bracht de Belastingdienst een correctie aan in verband met de te lage rekenrente en de toegepaste na-indexatie. De BV was van mening dat de beperkingen ten aanzien van rekenrente en na-indexatie niet gelden bij de overdracht van een pensioenverplichting. Die opvatting is echter, gezien een arrest van de Hoge Raad uit 2010, niet juist. De Hoge Raad heeft in dit arrest gezegd dat de beperkingen ook na overname van een pensioenverplichting door een derde blijven gelden, behoudens een in dit geval niet relevante uitzondering.