Te laat indienen beroepschrift verschoonbaar door geestelijke verwarring na scheiding

Iemand diende het beroepschrift tegen een uitspraak op bezwaar na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn van zes weken in. Een te laat ingediend beroepschrift is niet ontvankelijk, tenzij de indiener niet in verzuim is. De Hoge Raad heeft in arresten uit 1988 en 1996 overwogen, dat wanneer een belastingplichtige stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten, de niet-ontvankelijkheid slechts wordt uitgesproken als de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen. Onder verwijzing naar deze arresten verklaarde Hof Arnhem het te laat ingediende beroepschrift van een belastingplichtige toch ontvankelijk. De belastingplichtige voerde aan dat hij in verband met de scheiding van zijn toenmalige echtgenote geestelijk in de war was. De inspecteur voerde aan dat de scheiding pas later was uitgesproken. Er was daarom geen reden om de termijnoverschrijding toe te staan. Daarmee bewees de inspecteur echter niet dat de stelling van belanghebbende onjuist was. Het Hof vond de stelling van de belastingplichtige dat hij geestelijk in de war was aannemelijk en verklaarde het beroep ontvankelijk. Bij de vaststelling van de aanslag had de inspecteur een voorlopige teruggaaf verrekend. Volgens de belastingplichtige had niet hij maar zijn ex-echtgenote het verzoek om voorlopige teruggaaf ingediend en was het bedrag aan haar uitbetaald. De belastingplichtige en zijn ex leefden ten tijde van de uitbetaling gescheiden. Het Hof was van oordeel dat de belastingplichtige voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het verzoek om voorlopige teruggaaf niet had gedaan en dat hij het bedrag niet had ontvangen. Daarom mocht de aan zijn ex-echtgenote uitbetaalde heffingskorting niet worden verrekend met de aan hem opgelegde aanslag.
Iemand diende het beroepschrift tegen een uitspraak op bezwaar na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn van zes weken in. Een te laat ingediend beroepschrift is niet ontvankelijk, tenzij de indiener niet in verzuim is. De Hoge Raad heeft in arresten uit 1988 en 1996 overwogen, dat wanneer een belastingplichtige stelt dat de termijnoverschrijding niet aan hem is te wijten, de niet-ontvankelijkheid slechts wordt uitgesproken als de onjuistheid van deze stelling wordt bewezen. Onder verwijzing naar deze arresten verklaarde Hof Arnhem het te laat ingediende beroepschrift van een belastingplichtige toch ontvankelijk. De belastingplichtige voerde aan dat hij in verband met de scheiding van zijn toenmalige echtgenote geestelijk in de war was. De inspecteur voerde aan dat de scheiding pas later was uitgesproken. Er was daarom geen reden om de termijnoverschrijding toe te staan. Daarmee bewees de inspecteur echter niet dat de stelling van belanghebbende onjuist was. Het Hof vond de stelling van de belastingplichtige dat hij geestelijk in de war was aannemelijk en verklaarde het beroep ontvankelijk. Bij de vaststelling van de aanslag had de inspecteur een voorlopige teruggaaf verrekend. Volgens de belastingplichtige had niet hij maar zijn ex-echtgenote het verzoek om voorlopige teruggaaf ingediend en was het bedrag aan haar uitbetaald. De belastingplichtige en zijn ex leefden ten tijde van de uitbetaling gescheiden. Het Hof was van oordeel dat de belastingplichtige voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij het verzoek om voorlopige teruggaaf niet had gedaan en dat hij het bedrag niet had ontvangen. Daarom mocht de aan zijn ex-echtgenote uitbetaalde heffingskorting niet worden verrekend met de aan hem opgelegde aanslag.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u