Te hoge schadevergoeding door BV aan DGA was uitdeling

Een BV was eigenaar van een schip, dat gebruikt werd als drijvende horecagelegenheid. Door een brand ging het schip inclusief de inventaris geheel verloren. De BV ontving van de verzekeraar een schade-uitkering van ƒ 1.000.000. De BV betaalde een deel van de verzekeringsuitkering door aan haar aandeelhouder als vergoeding voor het verlies van door hem aan de BV in bruikleen gegeven goederen. De inspecteur merkte deze uitkering aan als een verkapte winstuitdeling en corrigeerde het aangegeven belastbare inkomen van de aandeelhouder. Volgens Hof Amsterdam had de aandeelhouder het bestaan van een bruikleenovereenkomst tussen hem en de BV aannemelijk gemaakt. De BV was echter niet verplicht om de geleende zaken bij het einde van de overeenkomst in een betere staat terug te geven dan in de staat waarin deze aan haar in bruikleen waren gegeven. Een schadevergoeding kon dan ook niet meer bedragen dan de marktwaarde van de zaken ten tijde van het in bruikleen geven. De door de BV betaalde schadevergoeding was gelijk aan de oorspronkelijke nieuwwaarde van de geleende zaken. Wegens gebrek aan door partijen geleverd bewijs stelde het Hof de waarde vast op 30% van de nieuwwaarde. De aandeelhouder had volgens het Hof een hogere waarde niet aannemelijk gemaakt. Voor het restant vormde de uitkering die de BV aan haar aandeelhouder had gedaan een uitdeling van winst, omdat aannemelijk was dat de aandeelhouder en de BV zich ervan bewust waren dat de schadevergoeding niet hoger behoorde te zijn dan de marktwaarde en zij wisten dat de marktwaarde lager was dan het betaalde bedrag.
Een BV was eigenaar van een schip, dat gebruikt werd als drijvende horecagelegenheid. Door een brand ging het schip inclusief de inventaris geheel verloren. De BV ontving van de verzekeraar een schade-uitkering van ƒ 1.000.000. De BV betaalde een deel van de verzekeringsuitkering door aan haar aandeelhouder als vergoeding voor het verlies van door hem aan de BV in bruikleen gegeven goederen. De inspecteur merkte deze uitkering aan als een verkapte winstuitdeling en corrigeerde het aangegeven belastbare inkomen van de aandeelhouder. Volgens Hof Amsterdam had de aandeelhouder het bestaan van een bruikleenovereenkomst tussen hem en de BV aannemelijk gemaakt. De BV was echter niet verplicht om de geleende zaken bij het einde van de overeenkomst in een betere staat terug te geven dan in de staat waarin deze aan haar in bruikleen waren gegeven. Een schadevergoeding kon dan ook niet meer bedragen dan de marktwaarde van de zaken ten tijde van het in bruikleen geven. De door de BV betaalde schadevergoeding was gelijk aan de oorspronkelijke nieuwwaarde van de geleende zaken. Wegens gebrek aan door partijen geleverd bewijs stelde het Hof de waarde vast op 30% van de nieuwwaarde. De aandeelhouder had volgens het Hof een hogere waarde niet aannemelijk gemaakt. Voor het restant vormde de uitkering die de BV aan haar aandeelhouder had gedaan een uitdeling van winst, omdat aannemelijk was dat de aandeelhouder en de BV zich ervan bewust waren dat de schadevergoeding niet hoger behoorde te zijn dan de marktwaarde en zij wisten dat de marktwaarde lager was dan het betaalde bedrag.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u