Tariefsverlaging 2002 in strijd met gelijkheidsbeginsel
Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002 is het vennootschapsbelastingtarief verlaagd van 35% naar 34,5%. Het tariefopstapje over de eerste € 22.689 is van 30% verlaagd naar 29%. Bij boekjaren die niet gelijklopen met het kalenderjaar gold de tariefsverlaging niet per 1 januari maar pas met ingang van het nieuwe boekjaar.
Volgens de rechtbank Haarlem hield deze aanpassing een ongelijke behandeling van gelijke gevallen in. Ongelijke behandeling is alleen toegestaan wanneer daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Zowel bij eerdere als bij latere tariefsverlagingen in de vennootschapsbelasting was steeds een overgangsregeling getroffen om de verlaging naar tijdsgelang toe te kunnen passen. Volgens de parlementaire toelichting was dat in dit geval om pragmatische redenen niet gedaan, maar deze redenen werden niet toegelicht. Dat vond de rechtbank onvoldoende onderbouwing om van een objectieve en redelijke rechtvaardiging te kunnen spreken. De rechtbank verlaagde de opgelegde aanslag door het nieuwe tarief vanaf 1 januari toe te passen. In hoger beroep bevestigde Hof Amsterdam dat oordeel. Omdat niet duidelijk was waaruit de pragmatische redenen van de wetgever bestonden en er geen andere objectieve en redelijke rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling was aangevoerd ontbrak de vereiste redelijke grond en was de ongelijke behandeling in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Het Hof volgde de rechtbank ook in de manier waarop de ongelijkheid moest worden opgeheven door toepassing van het verlaagde tarief naar tijdsgelang. Deze methode werd ook bij eerdere en latere gevallen van tariefsverlaging gebruikt. Volgens het Hof ging deze oplossing de rechtsvormende taak van de rechter niet te buiten.
Voor boekjaren die aanvangen op of na 1 januari 2002 is het vennootschapsbelastingtarief verlaagd van 35% naar 34,5%. Het tariefopstapje over de eerste € 22.689 is van 30% verlaagd naar 29%. Bij boekjaren die niet gelijklopen met het kalenderjaar gold de tariefsverlaging niet per 1 januari maar pas met ingang van het nieuwe boekjaar.
Volgens de rechtbank Haarlem hield deze aanpassing een ongelijke behandeling van gelijke gevallen in. Ongelijke behandeling is alleen toegestaan wanneer daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Zowel bij eerdere als bij latere tariefsverlagingen in de vennootschapsbelasting was steeds een overgangsregeling getroffen om de verlaging naar tijdsgelang toe te kunnen passen. Volgens de parlementaire toelichting was dat in dit geval om pragmatische redenen niet gedaan, maar deze redenen werden niet toegelicht. Dat vond de rechtbank onvoldoende onderbouwing om van een objectieve en redelijke rechtvaardiging te kunnen spreken. De rechtbank verlaagde de opgelegde aanslag door het nieuwe tarief vanaf 1 januari toe te passen. In hoger beroep bevestigde Hof Amsterdam dat oordeel. Omdat niet duidelijk was waaruit de pragmatische redenen van de wetgever bestonden en er geen andere objectieve en redelijke rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling was aangevoerd ontbrak de vereiste redelijke grond en was de ongelijke behandeling in strijd met het verdragsrechtelijke gelijkheidsbeginsel. Het Hof volgde de rechtbank ook in de manier waarop de ongelijkheid moest worden opgeheven door toepassing van het verlaagde tarief naar tijdsgelang. Deze methode werd ook bij eerdere en latere gevallen van tariefsverlaging gebruikt. Volgens het Hof ging deze oplossing de rechtsvormende taak van de rechter niet te buiten.