
Het successierecht kende verschillende tarieven, afhankelijk van de relatie tussen een erflater en zijn erfgenamen. Hoe nauwer de verwantschap was, des te lager waren de tarieven. Zo vielen kinderen in tariefgroep 1 en gold voor kleinkinderen tariefgroep 1 met een opslag op het tarief. Broers en zusters vielen in tariefgroep 2, terwijl verre familieleden of niet verwanten in tariefgroep 3 vielen.
Soms ontstond discussie over de tariefgroepindeling. Een aardig en in de praktijk waarschijnlijk vaker voorkomend geval is de volgende casus. Een man woonde voor zijn overlijden meer dan vijf jaar ongehuwd samen. De man had uit een eerder huwelijk een aantal kinderen en acht kleinkinderen. Na zijn overlijden verkreeg zijn samenlevingspartner het vruchtgebruik van een deel van zijn vermogen. Bij deze verkrijging werd de vrouw in tariefgroep 1 ingedeeld op grond van de duur van het samenwonen. Deze vrouw benoemde de kleinkinderen van haar partner in haar testament tot erfgenamen. Tussen de vrouw en haar erfgenamen bestond geen bloed- of aanverwantschap. De inspecteur deelde de erfgenamen daarom in tariefgroep
De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof bevestigd. Er is geen sprake van verboden discriminatie. De wetgever heeft destijds gekozen voor een tariefstructuur die is gebaseerd op de verwantschap met de erflater. Met het verwerken van dit uitgangspunt in de tariefstructuur is de wetgever gebleven binnen de ruime beoordelingsvrijheid die hem bij het indelen van belastingplichtigen in tariefgroepen toekomt, aldus de Hoge Raad.
Dit wordt niet anders doordat de wetgever met ingang van 2010 een andere keuze heeft gemaakt waardoor de belanghebbenden in deze procedure als aanverwanten van de erflaatster zouden zijn aangemerkt.