Suikerheffing was onderdeel kostprijs voorraad suiker
Het productieseizoen van een suikerfabrikant liep jaarlijks van september tot en met december. De fabrikant waardeerde zijn suikervoorraad op de kostprijs of de lagere opbrengstwaarde. Daarbij maakte hij administratief onderscheid in de hoeveelheid suiker, waarvoor een door de EU gegarandeerde prijs gold en de hoeveelheid suiker, die het quotum te boven ging. De EU hief een suikerheffing over de binnen het quotum geproduceerde hoeveelheid suiker. Deze heffing is verschuldigd omdat binnen de EU voor zekere hoeveelheden suiker vastgestelde prijzen golden, die hoger lagen dan de prijzen op de wereldmarkt. Een producent die zijn suiker niet binnen de EU kon verkopen en daarom exporteerde ontving een exportrestitutie vanwege de lagere wereldmarktprijzen. De suikerproducent wilde de door hem te betalen suikerheffing ten laste van de winst brengen door een voorziening te vormen voor het gehele bedrag. De inspecteur corrigeerde naar aanleiding van een boekenonderzoek de winst over 1993 met 74,25 procent van de over dat jaar verschuldigde suikerheffing van ƒ 39.600.000, omdat op de balansdatum van de in 1993 geproduceerde hoeveelheid suiker nog 74,25 procent in voorraad was. In geschil was of de suikerheffing tot de kostprijs van de suiker behoorde en dus moest worden geactiveerd. Hof Amsterdam was van oordeel dat de suikerheffing direct samenhing met de productie van suiker binnen het toegekende quotum en daarom als onderdeel van de kostprijs van de voorraad geactiveerd moest worden. De Hoge Raad heeft dat oordeel bevestigd.
Het productieseizoen van een suikerfabrikant liep jaarlijks van september tot en met december. De fabrikant waardeerde zijn suikervoorraad op de kostprijs of de lagere opbrengstwaarde. Daarbij maakte hij administratief onderscheid in de hoeveelheid suiker, waarvoor een door de EU gegarandeerde prijs gold en de hoeveelheid suiker, die het quotum te boven ging. De EU hief een suikerheffing over de binnen het quotum geproduceerde hoeveelheid suiker. Deze heffing is verschuldigd omdat binnen de EU voor zekere hoeveelheden suiker vastgestelde prijzen golden, die hoger lagen dan de prijzen op de wereldmarkt. Een producent die zijn suiker niet binnen de EU kon verkopen en daarom exporteerde ontving een exportrestitutie vanwege de lagere wereldmarktprijzen. De suikerproducent wilde de door hem te betalen suikerheffing ten laste van de winst brengen door een voorziening te vormen voor het gehele bedrag. De inspecteur corrigeerde naar aanleiding van een boekenonderzoek de winst over 1993 met 74,25 procent van de over dat jaar verschuldigde suikerheffing van ƒ 39.600.000, omdat op de balansdatum van de in 1993 geproduceerde hoeveelheid suiker nog 74,25 procent in voorraad was. In geschil was of de suikerheffing tot de kostprijs van de suiker behoorde en dus moest worden geactiveerd. Hof Amsterdam was van oordeel dat de suikerheffing direct samenhing met de productie van suiker binnen het toegekende quotum en daarom als onderdeel van de kostprijs van de voorraad geactiveerd moest worden. De Hoge Raad heeft dat oordeel bevestigd.