Subsidie was onderdeel vergoeding
Ondernemers moeten over de vergoeding die zij voor leveringen en diensten in rekening brengen omzetbelasting berekenen, tenzij er sprake is van een vrijstelling voor de betreffende levering of dienst. Subsidies die een ondernemer ontvangt, bijvoorbeeld van de overheid, kunnen onderdeel vormen van de vergoeding voor een prestatie. Dat betekent dat over een dergelijke subsidie omzetbelasting verschuldigd is. Een subsidie is niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen als deze wordt gegeven voor zogenaamde eigen activiteiten van de ontvanger van de subsidie. Eigen activiteiten worden niet verricht op grond van een overeenkomst tussen de subsidieontvanger en de subsidiegever. Het voldoen aan door de subsidiegever gestelde voorwaarden betekent niet dat de handelingen diensten aan de subsidiegever zijn.
Een gemeente droeg de exploitatie van de gemeentelijke sportvoorzieningen en zwembaden over aan een daarvoor opgerichte BV. De gemeente sloot een overeenkomst met de BV. De gemeente betaalde aan de BV een bedrag van ƒ 8 miljoen onder de voorwaarde dat uitvoering zou worden gegeven aan de overeenkomst. De BV was van mening dat over de vergoeding van de gemeente geen omzetbelasting betaald hoefde te worden omdat er geen (belastbare) prestatie tegenover stond. De belastingdienst deelde dat standpunt niet en legde een naheffingsaanslag op. Hof Leeuwarden was van oordeel dat sprake was van een belaste prestatie door de BV omdat deze de gemeente voordeel heeft opgeleverd. De BV heeft zich verplicht om een aantal taken voor de gemeente te gaan uitvoeren. Het Hof was van oordeel dat het totale door de gemeente betaalde bedrag rechtstreeks verband hield met de aan de BV uitbestede taken.
De BV ging in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad heeft de uitspraak op twee punten als onjuist aangemerkt. Ten eerste vallen verrichtingen van rechtspersonen, waarvan een gemeente de enige aandeelhouder is, aan de niet-ondernemerssfeer van de gemeente buiten de omzetbelasting. Het Hof was van oordeel dat deze regeling niet van toepassing was omdat de prestaties van de BV wanneer de gemeente ze zou verrichten niet tot de overheidssfeer behoorden. Het Hof had moeten beoordelen of de gemeente de prestaties heeft afgenomen als ondernemer dan wel als niet-ondernemer.
Ten tweede was volgens het Hof het ontvangen bedrag exclusief omzetbelasting. De inspecteur had terecht omzetbelasting berekend over het ontvangen bedrag. Ook dat oordeel van het Hof was niet juist. De BV en de gemeente hadden niet afgesproken dat de BV de nageheven omzetbelasting kon verhalen op de gemeente. Daarom was het ontvangen bedrag inclusief omzetbelasting.
Ondernemers moeten over de vergoeding die zij voor leveringen en diensten in rekening brengen omzetbelasting berekenen, tenzij er sprake is van een vrijstelling voor de betreffende levering of dienst. Subsidies die een ondernemer ontvangt, bijvoorbeeld van de overheid, kunnen onderdeel vormen van de vergoeding voor een prestatie. Dat betekent dat over een dergelijke subsidie omzetbelasting verschuldigd is. Een subsidie is niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen als deze wordt gegeven voor zogenaamde eigen activiteiten van de ontvanger van de subsidie. Eigen activiteiten worden niet verricht op grond van een overeenkomst tussen de subsidieontvanger en de subsidiegever. Het voldoen aan door de subsidiegever gestelde voorwaarden betekent niet dat de handelingen diensten aan de subsidiegever zijn.
Een gemeente droeg de exploitatie van de gemeentelijke sportvoorzieningen en zwembaden over aan een daarvoor opgerichte BV. De gemeente sloot een overeenkomst met de BV. De gemeente betaalde aan de BV een bedrag van ƒ 8 miljoen onder de voorwaarde dat uitvoering zou worden gegeven aan de overeenkomst. De BV was van mening dat over de vergoeding van de gemeente geen omzetbelasting betaald hoefde te worden omdat er geen (belastbare) prestatie tegenover stond. De belastingdienst deelde dat standpunt niet en legde een naheffingsaanslag op. Hof Leeuwarden was van oordeel dat sprake was van een belaste prestatie door de BV omdat deze de gemeente voordeel heeft opgeleverd. De BV heeft zich verplicht om een aantal taken voor de gemeente te gaan uitvoeren. Het Hof was van oordeel dat het totale door de gemeente betaalde bedrag rechtstreeks verband hield met de aan de BV uitbestede taken.
De BV ging in cassatie tegen de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad heeft de uitspraak op twee punten als onjuist aangemerkt. Ten eerste vallen verrichtingen van rechtspersonen, waarvan een gemeente de enige aandeelhouder is, aan de niet-ondernemerssfeer van de gemeente buiten de omzetbelasting. Het Hof was van oordeel dat deze regeling niet van toepassing was omdat de prestaties van de BV wanneer de gemeente ze zou verrichten niet tot de overheidssfeer behoorden. Het Hof had moeten beoordelen of de gemeente de prestaties heeft afgenomen als ondernemer dan wel als niet-ondernemer.
Ten tweede was volgens het Hof het ontvangen bedrag exclusief omzetbelasting. De inspecteur had terecht omzetbelasting berekend over het ontvangen bedrag. Ook dat oordeel van het Hof was niet juist. De BV en de gemeente hadden niet afgesproken dat de BV de nageheven omzetbelasting kon verhalen op de gemeente. Daarom was het ontvangen bedrag inclusief omzetbelasting.