
Zogenaamde prijssubsidies, dat zijn subsidies die worden verstrekt om handelingen tegen een lagere prijs te kunnen verrichten, zijn onderdeel van de vergoeding en daarom belast met omzetbelasting. Wanneer een subsidie wordt verstrekt zal dus onderzocht moeten worden of het gaat om een prijssubsidie of om een andere vorm van subsidie.
De vraag was of de door een gemeente aan de exploitant van een sporthal verstrekte exploitatiesubsidie een prijssubsidie was. De belastingdienst meende van wel, omdat de exploitant daardoor een lagere prijs kon vragen aan gebruikers van de sporthal. Volgens een arrest van het Hof van Justitie EG is sprake van een prijssubsidie als de door de gebruikers te betalen prijs zo is vastgesteld, dat hij daalt als de subsidie stijgt. In dat geval is de subsidie medebepalend voor de gevraagde prijs.
De exploitant van de sporthal was door de concurrentie van sporthallen in nabijgelegen gemeenten gedwongen om zijn prijzen aan te passen aan de elders geldende prijzen en kon zich niet permitteren om hogere prijzen te vragen. Daarom was niet aannemelijk dat de subsidie tot een lagere prijs had geleid. De rechtbank oordeelde dat de subsidie geen prijssubsidie was.
Ten overvloede merkte de rechtbank nog op dat in het bedoelde arrest van het Hof van Justitie EG is gezegd dat er alleen een rechtstreeks verband tussen prestatie en subsidie is als de subsidie wordt betaald voor een bepaalde prestatie en de ontvanger van de subsidie recht heeft op de subsidie zodra hij die prestatie heeft verricht. Een dergelijk verband ontbrak in deze situatie.