Studerend kind is niet verplicht tot lenen bij IB groep
Een thuiswonende student had in het jaar 2003 wegens overschrijding van de studieduur alleen recht op studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening. Van dit recht maakte hij geen gebruik. De student ontving in 2003 € 2.107 bruto als loon uit dienstbetrekking en een ziekengelduitkering van netto € 1.002. Daarnaast ontving hij een belastingteruggaaf van € 597. Het studiebudget bedroeg € 6.312 in dat jaar. Zijn ouders droegen in totaal € 4.076 bij in de kosten van het levensonderhoud. In hun aangifte inkomstenbelasting claimden zij aftrek van de kosten van levensonderhoud omdat deze kosten grotendeels voor hun rekening kwamen. Bij die afweging moest de mogelijkheid om een rentedragende lening aan te gaan buiten beschouwing worden gelaten. Verder meenden de ouders dat met de inkomsten van de zoon geen rekening moest worden gehouden omdat hij die inkomsten had besteed aan de noodzakelijke aanschaf van een auto. De rechtbank in Leeuwarden was van oordeel dat de zoon € 3.377 aan eigen inkomsten voor zijn levensonderhoud kon besteden. De rechtbank vond de aanschaf van een auto niet noodzakelijk. De ouders voorzagen volgens de rechtbank in het tekort ten opzichte van het studiebudget van € 2.935. Met de mogelijkheid om geld te lenen bij de IB groep hoefde geen rekening gehouden te worden omdat in het jaar 2003 niet was te voorzien dat de zoon een dergelijke schuld binnen een redelijke termijn zou kunnen aflossen. De kosten van het levensonderhoud van de zoon drukten niet grotendeels op de ouders en dus hadden zijn geen recht op de verhoogde aftrek van € 650 per kwartaal. De aftrek was beperkt tot € 325 per kwartaal.
Een thuiswonende student had in het jaar 2003 wegens overschrijding van de studieduur alleen recht op studiefinanciering in de vorm van een rentedragende lening. Van dit recht maakte hij geen gebruik. De student ontving in 2003 € 2.107 bruto als loon uit dienstbetrekking en een ziekengelduitkering van netto € 1.002. Daarnaast ontving hij een belastingteruggaaf van € 597. Het studiebudget bedroeg € 6.312 in dat jaar. Zijn ouders droegen in totaal € 4.076 bij in de kosten van het levensonderhoud. In hun aangifte inkomstenbelasting claimden zij aftrek van de kosten van levensonderhoud omdat deze kosten grotendeels voor hun rekening kwamen. Bij die afweging moest de mogelijkheid om een rentedragende lening aan te gaan buiten beschouwing worden gelaten. Verder meenden de ouders dat met de inkomsten van de zoon geen rekening moest worden gehouden omdat hij die inkomsten had besteed aan de noodzakelijke aanschaf van een auto. De rechtbank in Leeuwarden was van oordeel dat de zoon € 3.377 aan eigen inkomsten voor zijn levensonderhoud kon besteden. De rechtbank vond de aanschaf van een auto niet noodzakelijk. De ouders voorzagen volgens de rechtbank in het tekort ten opzichte van het studiebudget van € 2.935. Met de mogelijkheid om geld te lenen bij de IB groep hoefde geen rekening gehouden te worden omdat in het jaar 2003 niet was te voorzien dat de zoon een dergelijke schuld binnen een redelijke termijn zou kunnen aflossen. De kosten van het levensonderhoud van de zoon drukten niet grotendeels op de ouders en dus hadden zijn geen recht op de verhoogde aftrek van € 650 per kwartaal. De aftrek was beperkt tot € 325 per kwartaal.