
Ontslag op staande voet is alleen mogelijk wanneer daarvoor een dringende reden bestaat die bovendien onverwijld aan de werknemer wordt meegedeeld. In een procedure voor de Hoge Raad was de vraag of een strafrechtelijke veroordeling een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.
De procedure had betrekking op een werknemer die op 30 augustus 2006 werd veroordeeld voor een strafrechtelijk vergrijp. De werkgever stuurde de werknemer op 1 februari 2007 een brief waarin hem zijn ontslag op staande voet werd aangezegd. De strafrechtelijke veroordeling en de detentie werden aangevoerd als reden voor het ontslag op staande voet.
De werknemer riep de ongeldigheid van het ontslag in en verklaarde zich bereid zijn werkzaamheden te hervatten zodra zijn detentie zou zijn geëindigd. De detentie van verweerder is begin augustus 2007 geëindigd.
Het enkele feit dat een werknemer gedetineerd is en hij daardoor zijn werk verzuimt, is op zichzelf niet voldoende voor een ontslag op staande voet. Of een detentie en het daaruit voorvloeiende werkverzuim van een werknemer voldoende zijn voor een ontslag op staande voet hangt af van bijkomende omstandigheden, zoals de vraag of de werknemer de detentie kan worden verweten en of hij de werkgever zo spoedig mogelijk van zijn detentie in kennis heeft gesteld. In dit geval was het gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig omdat het strafbare feit waarvoor de werknemer was veroordeeld geen verband hield met de werkzaamheden die hij verrichtte. Het delict lag in de privésfeer en had geen negatieve invloed op zijn functioneren als werknemer. De werkgever had geen directe schade geleden door de detentie van de werknemer.