
Iemand richtte een stichting op met als doelstelling het algemeen belang. De stichting was benoemd als enig erfgenaam van de oprichter en zou actief worden na het overlijden van de langstlevende van de oprichter en zijn echtgenote. De belastingdienst wees het verzoek om de stichting aan te merken als een algemeen nut beogende instelling af vanwege het ontbreken van feitelijke activiteiten.
Na het overlijden van de oprichter legde de belastingdienst een aanslag successierecht op van € 3,3 miljoen over een verkrijging van € 5 miljoen met toepassing van tariefgroep III.
In de procedure die volgde was niet in geschil dat de doelstelling van de stichting het algemeen belang diende en dat de stichting geen werkzaamheden had verricht in strijd met haar doelstelling. De vraag was of het ontbreken van activiteiten tot gevolg had dat de stichting geen algemeen nut beogende instelling kon zijn.
Bij testament in het leven geroepen stichtingen kunnen voor in dat zelfde testament opgenomen verkrijgingen als algemeen nut beogende instellingen worden aangemerkt. Dergelijke stichtingen hoeven niet al werkzaamheden in overeenstemming met de doelstelling te hebben verricht.
Volgens de rechtbank had de stichting al vóór de aanvaarding van de nalatenschap van de oprichter werkzaamheden op het gebied van vermogensbeheer verricht. Volgens een arrest van de Hoge Raad verhindert het ontbreken van andere werkzaamheden om haar doel te bereiken niet dat een stichting als algemeen nut beogend wordt aangemerkt. Met deze werkzaamheden streefde de stichting realisatie van haar doel na.
De rechtbank was van oordeel dat in voldoende mate was geregeld dat de oprichters niet over de aanwending van het vermogen van de stichting konden beslissen. Daarom diende de stichting als algemeen nut beogende instelling te worden aangemerkt. Ten tijde van het overlijden gold voor algemeen nut beogende instellingen nog niet de huidige vrijstelling, maar een bijzonder tarief van 11%. De rechtbank paste dit tarief toe op de verkrijging.
In hoger beroep oordeelde Hof Den Haag anders. Volgens het hof is een rechtspersoon die volgens de doelomschrijving het algemeen nut beoogt, maar die volgens de uitdrukkelijke wil van de oprichters niet handelt in overeenstemming met de doelomschrijving totdat beidde oprichters zijn overleden, tot dat moment geen algemeen nut beogende instelling.