
In het algemeen is de inspecteur niet verplicht om bij de vaststelling van een definitieve aanslag inkomstenbelasting het zelfde standpunt in te nemen als bij een eerder vastgestelde voorlopige aanslag van deze belastingplichtige. De voorlopige aanslag wordt normaliter vastgesteld aan de hand van niet of zeer globaal gecontroleerde gegevens. Dat betekent ook dat een belastingplichtige in de regel geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen aan een voorlopige aanslag. Er geldt echter een uitzondering voor de situatie waarin de belastingplichtige een aangelegenheid uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de inspecteur heeft voorgelegd en hij redelijkerwijs heeft kunnen aannemen dat de inspecteur een weloverwogen standpunt heeft ingenomen. Daarvoor is meer vereist dan het vaststellen van de voorlopige aanslag conform het door de belastingplichtige ingenomen standpunt.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden deden zich niet voor in een geval waarin een veel hoger bedrag aan aftrek van buitengewone uitgaven werd toegekend dan was gevraagd. Die onjuiste teruggaaf was terug te voeren op het ontbreken van de aftrekdrempel in de (papieren) aangifte.