
De wet op de loonbelasting kent een zogenaamde stamrechtvrijstelling. Dat is een vrijstelling voor aanspraken van werknemers op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon. De periodieke uitkeringen moeten uiterlijk ingaan in het jaar waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt. De stamrechtvrijstelling wordt in de praktijk benut om de belastingheffing over ontslaguitkeringen te verschuiven naar de toekomst.
Voorwaarde voor toepassing van de stamrechtvrijstelling is dat het recht op periodieke uitkeringen wordt ondergebracht bij een toegelaten verzekeraar. Dat kan een in Nederland gevestigd lichaam zijn dat de verplichting tot het doen van periodieke uitkeringen rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen. Een zogenaamd fonds voor gemene rekening voldoet aan deze omschrijving.
In een voorkomend geval legde de belastingdienst een naheffingsaanslag loonheffing op ter zake van twee ontslaguitkeringen omdat, anders dan de betrokkenen veronderstelden, geen sprake was van fondsen voor gemene rekening. De rendementen van de fondsen kwamen, na aftrek van kosten, ten goede aan de stamrechtkapitalen. Voor de participanten resteerde er geen rendement. Naar het oordeel van de rechtbank was er dus geen sprake van beleggen.