Stakingslijfrenteaftrek door opgewekt vertrouwen
Een ondernemer die zijn bedrijf had beëindigd wilde, nadat hij in 2001 zijn oudedagsreserve had omgezet in een lijfrente, zijn stakingswinst in 2002 tot een bedrag van € 186.668 omzetten in een stakingslijfrente. Gezien de leeftijd van de ondernemer ten tijde van de staking was dit voornemen echter niet uitvoerbaar omdat het maximale aftrekbedrag werd overschreden. Het verzoek om dit te mogen doen was te goeder trouw aan de belastingdienst gedaan. De belastingdienst had de ondernemer in een reactie op het verzoek moeten wijzen op de bestaande wettelijke beperkingen. Door dat niet te doen bleef de ondernemer ondanks zijn expliciete verzoek om zekerheid op dit punt te verkrijgen in de veronderstelling dat de gewenste premiebetaling in 2002 ten laste van zijn stakingswinst zou komen. Door toedoen van de belastingdienst is bij de ondernemer het gerechtvaardigde vertrouwen ontstaan dat de belastingdienst zijn opvatting over de maximale stakingslijfrenteaftrek deelde en heeft de ondernemer een bedrag van € 88.693 als aanvullende premie gestort voor een direct ingaande lijfrente. Dit vertrouwen moet in rechte worden beschermd. Volgens de rechtbank is er niet een zodanige strijd met de wet dat de ondernemer in redelijkheid niet van de juistheid van zijn opvatting had mogen uitgaan. De rechtbank wees het beroep van de belastingdienst op interne compensatie af omdat daardoor een beperking van de stakingslijfrenteaftrek zou optreden, terwijl de rechtbank juist vond dat het vertrouwen van de ondernemer op dat punt in rechte moest worden beschermd.
Een ondernemer die zijn bedrijf had beëindigd wilde, nadat hij in 2001 zijn oudedagsreserve had omgezet in een lijfrente, zijn stakingswinst in 2002 tot een bedrag van € 186.668 omzetten in een stakingslijfrente. Gezien de leeftijd van de ondernemer ten tijde van de staking was dit voornemen echter niet uitvoerbaar omdat het maximale aftrekbedrag werd overschreden. Het verzoek om dit te mogen doen was te goeder trouw aan de belastingdienst gedaan. De belastingdienst had de ondernemer in een reactie op het verzoek moeten wijzen op de bestaande wettelijke beperkingen. Door dat niet te doen bleef de ondernemer ondanks zijn expliciete verzoek om zekerheid op dit punt te verkrijgen in de veronderstelling dat de gewenste premiebetaling in 2002 ten laste van zijn stakingswinst zou komen. Door toedoen van de belastingdienst is bij de ondernemer het gerechtvaardigde vertrouwen ontstaan dat de belastingdienst zijn opvatting over de maximale stakingslijfrenteaftrek deelde en heeft de ondernemer een bedrag van € 88.693 als aanvullende premie gestort voor een direct ingaande lijfrente. Dit vertrouwen moet in rechte worden beschermd. Volgens de rechtbank is er niet een zodanige strijd met de wet dat de ondernemer in redelijkheid niet van de juistheid van zijn opvatting had mogen uitgaan. De rechtbank wees het beroep van de belastingdienst op interne compensatie af omdat daardoor een beperking van de stakingslijfrenteaftrek zou optreden, terwijl de rechtbank juist vond dat het vertrouwen van de ondernemer op dat punt in rechte moest worden beschermd.