Voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet volgens het Burgerlijk Wetboek aan drie voorwaarden zijn voldaan:
- er moet een gezagsverhouding zijn tussen de werkgever en de werknemer,
- de werknemer moet de arbeid persoonlijk verrichten, en
- de werkgever is verplicht om loon te betalen.
Is aan deze voorwaarden voldaan, dan is de werkgever verplicht om loonbelasting en premies in te houden op het betaalde loon.
Hof Den Haag vernietigde een opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting omdat de inspecteur het bewijs voor een gezagsverhouding in de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking had niet had geleverd. Een schriftelijke arbeidsovereenkomst ontbrak. Voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding verwees de inspecteur naar een later gesloten overeenkomst van opdracht. De werkzaamheden volgens deze overeenkomst weken sterk af van de werkzaamheden in de periode waarin volgens de inspecteur sprake was van een gezagsverhouding. Het bestaan van die verhouding was daarmee niet uit deze overeenkomst af te leiden. De staatssecretaris vroeg zich af of cassatie moest worden ingesteld omdat het Hof geen oordeel heeft gegeven over het bestaan van een dienstbetrekking in de laatste maand van de periode waarop de naheffingsaanslag betrekking had. In die maand gold de overeenkomst van opdracht, maar kennelijk weken de omstandigheden toen slechts weinig af van de omstandigheden die voordien een rol speelden. Vanwege het beperkte belang ziet de staatssecretaris af van het instellen van cassatie.