Staatssecretaris berust in Hofuitspraak vermogensetikettering bovenwoningen
De staatssecretaris van Financiën stelt geen beroep in cassatie in tegen een uitspraak van Hof Amsterdam over de vermogensetikettering van bovenwoningen. Een ondernemer kocht in 1984 een slijterij met verhuurde bovenwoningen. Hij rekende het geheel tot zijn ondernemingsvermogen. Later stelde hij zich op het standpunt dat de bovenwoningen verplicht privé-vermogen waren. Het Hof was van oordeel dat, gelet op het doel van de aankoop en de onmogelijkheid om alleen de winkel te kopen, de kwalificatie als keuzevermogen niet onjuist was. De ondernemer kon op de door hem gemaakte keuze niet terug komen. Na de onteigening van zijn lunchroom in 1987 kocht de ondernemer van de opbrengst een pand waarvan de binnentuin grensde aan de tuin van de slijterij. Het pand was bij aankoop verhuurd. Ook dit pand rekende de ondernemer tot zijn ondernemingsvermogen. In 1988 nam de ondernemer de benedenverdieping en een deel van de tuin in gebruik voor de slijterij. Het Hof vond aannemelijk dat de bovenwoningen van het tweede pand geen ondernemingsvermogen vormden omdat de aankoop was ingegeven door de wens om liquide middelen te beleggen. Gezien het feitelijke karakter van dit oordeel verwacht de staatssecretaris geen succes van een beroep in cassatie.
De staatssecretaris van Financiën stelt geen beroep in cassatie in tegen een uitspraak van Hof Amsterdam over de vermogensetikettering van bovenwoningen. Een ondernemer kocht in 1984 een slijterij met verhuurde bovenwoningen. Hij rekende het geheel tot zijn ondernemingsvermogen. Later stelde hij zich op het standpunt dat de bovenwoningen verplicht privé-vermogen waren. Het Hof was van oordeel dat, gelet op het doel van de aankoop en de onmogelijkheid om alleen de winkel te kopen, de kwalificatie als keuzevermogen niet onjuist was. De ondernemer kon op de door hem gemaakte keuze niet terug komen. Na de onteigening van zijn lunchroom in 1987 kocht de ondernemer van de opbrengst een pand waarvan de binnentuin grensde aan de tuin van de slijterij. Het pand was bij aankoop verhuurd. Ook dit pand rekende de ondernemer tot zijn ondernemingsvermogen. In 1988 nam de ondernemer de benedenverdieping en een deel van de tuin in gebruik voor de slijterij. Het Hof vond aannemelijk dat de bovenwoningen van het tweede pand geen ondernemingsvermogen vormden omdat de aankoop was ingegeven door de wens om liquide middelen te beleggen. Gezien het feitelijke karakter van dit oordeel verwacht de staatssecretaris geen succes van een beroep in cassatie.