Splitsing vergoeding over verschillende prestaties
De exploitant van een paardenpension bracht aan zijn klanten een vaste vergoeding in rekening van ƒ 500 per maand. In de vergoeding waren begrepen de huur van een vaste box en van de materialenkast, het medegebruik van de overige accommodatie, het schoonhouden van de box en de verstrekking van voer. Volgens Hof Arnhem moest de vergoeding worden gesplitst omdat de verhuur van de box een afzonderlijke prestatie vormde. Het medegebruik van de rijhal en het schoonhouden van de box waren volgens het Hof geen bijkomende diensten bij de vrijgestelde verhuur van de box. Deze diensten deelden dus niet in de vrijstelling maar moesten apart worden beoordeeld. De toerekening van de vergoeding aan vrijgestelde verhuur en belaste prestaties moet volgens een arrest van het Hof van Justitie EG op basis van de marktwaardemethode gebeuren. In bijzondere gevallen kan de methode van de werkelijke kosten worden gebruikt. Dat is aan de orde wanneer geen marktwaarde kan worden bepaald. De vraag is of daarbij moest worden uitgegaan van de historische kostprijs of van de geactualiseerde kostprijs. Volgens de Hoge Raad kan de historische kostprijs als uitgangspunt worden genomen, tenzij daardoor een onevenwichtige verdeling ontstaat. In dit geval was voor een evenwichtige vergelijking van de kosten nodig dat werd uitgegaan van de vervangingswaarde van de stal, rekening houdend met de technische en economische veroudering. Een eventueel verschil tussen het totaal van de kosten en de berekende vergoeding moet naar evenredigheid worden toegerekend aan de afzonderlijke prestaties, tenzij aannemelijk is dat de winstmarges op de onderscheiden diensten in de praktijk uiteenlopen.
De exploitant van een paardenpension bracht aan zijn klanten een vaste vergoeding in rekening van ƒ 500 per maand. In de vergoeding waren begrepen de huur van een vaste box en van de materialenkast, het medegebruik van de overige accommodatie, het schoonhouden van de box en de verstrekking van voer. Volgens Hof Arnhem moest de vergoeding worden gesplitst omdat de verhuur van de box een afzonderlijke prestatie vormde. Het medegebruik van de rijhal en het schoonhouden van de box waren volgens het Hof geen bijkomende diensten bij de vrijgestelde verhuur van de box. Deze diensten deelden dus niet in de vrijstelling maar moesten apart worden beoordeeld. De toerekening van de vergoeding aan vrijgestelde verhuur en belaste prestaties moet volgens een arrest van het Hof van Justitie EG op basis van de marktwaardemethode gebeuren. In bijzondere gevallen kan de methode van de werkelijke kosten worden gebruikt. Dat is aan de orde wanneer geen marktwaarde kan worden bepaald. De vraag is of daarbij moest worden uitgegaan van de historische kostprijs of van de geactualiseerde kostprijs. Volgens de Hoge Raad kan de historische kostprijs als uitgangspunt worden genomen, tenzij daardoor een onevenwichtige verdeling ontstaat. In dit geval was voor een evenwichtige vergelijking van de kosten nodig dat werd uitgegaan van de vervangingswaarde van de stal, rekening houdend met de technische en economische veroudering. Een eventueel verschil tussen het totaal van de kosten en de berekende vergoeding moet naar evenredigheid worden toegerekend aan de afzonderlijke prestaties, tenzij aannemelijk is dat de winstmarges op de onderscheiden diensten in de praktijk uiteenlopen.