
Een ondernemer behaalde met de aankoop en splitsing van een woning en verkoop van de appartementen een voordeel van € 125.000. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat dit onderdeel was van de winst uit onderneming, omdat de ondernemer als taxateur een beroepsmatige en specifieke deskundigheid had op het gebied van onroerende zaken. Indien geen sprake was van winst uit onderneming dan diende het voordeel belast te worden als resultaat uit overige werkzaamheden. Voor een dergelijk resultaat hoeft de te verrichten arbeid slechts minimaal te zijn. De ondernemer had het pand opgeknapt, geschilderd en een muur teruggeplaatst, waarmee volgens de inspecteur aan het arbeidsvereiste is voldaan.
De rechtbank was van oordeel dat het voordeel onderdeel was van de winst uit onderneming.
Hof Den Haag oordeelde in hoger beroep anders. Volgens het hof had de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat het pand dienstbaar was aan de onderneming of dat de aankoop van het pand enig zakelijk doel van de onderneming diende. Dat betekende dat de ondernemer het pand tot zijn privévermogen had mogen rekenen.
De door de inspecteur aangehaalde beroepsmatige en specifieke deskundigheid als taxateur was beperkt tot de waardering van complexe onroerende zaken. De ondernemer had geen specifieke kennis en deskundigheid van de woningmarkt ter plaatse.
Voor de kwalificatie van een voordeel als resultaat uit een werkzaamheid is vereist dat arbeid wordt verricht in het economische verkeer met het oogmerk geldelijk voordeel te behalen. Dat voordeel moet objectief ook redelijkerwijs te verwachten zijn. Het uitponden van onroerende zaken leidt niet zonder meer tot belastbare arbeidsinkomsten.
Het hof stelde vast dat de koopsom marktconform was. Het pand was ten tijde van de aankoop bouwkundig gesplitst. De verkoper had twee makelaars ingeschakeld die deskundig waren op de plaatselijke onroerendgoedmarkt. Als een van deze makelaars had verwacht dat het pand na juridische splitsing meer zou opbrengen dan als geheel zou die verwachting aan de verkoper kenbaar zijn gemaakt. Dat was echter niet gebeurd.
Verder was er geen sprake van meer arbeid dan bij normaal, actief vermogensbeheer gebruikelijk is. De renovatiekosten bedroegen slechts € 2.000 en de daarmee gemoeid gaande werkzaamheden waren beperkt van omvang. Voor de splitsing had de ondernemer niet meer gedaan dan het indienen van een verzoek bij de gemeente om een vergunning te krijgen.
Het behaalde voordeel was volgens het hof onbelast.