Splitsing aftrek voorbelasting bij belaste en onbelaste prestaties

Ondernemers voor de omzetbelasting mogen de belasting die leveranciers in rekening hebben gebracht in mindering brengen op de belasting die zij aan de Belastingdienst moeten betalen. Dit recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het feit of de prestaties van de ondernemer al dan niet belast zijn. Ondernemers die zowel belaste als vrijgestelde prestaties verrichten moeten de aan hun in rekening gebrachte omzetbelasting splitsen voor de bepaling van het deel dat als voorbelasting kan worden verrekend. Die splitsing kan op basis van de gerealiseerde omzetten of aan de hand van het werkelijke gebruik voor de verschillende prestaties. Over deze toerekening van de voorbelasting aan belaste en onbelaste prestaties bestond een geschil tussen een ondernemer en de belastingdienst. De ondernemer dreef een makelaarskantoor en bemiddelde verder in hypotheken en verzekeringen. De bemiddelingsactiviteiten zijn vrijgestelde prestaties. In de administratie was geen splitsing aangebracht tussen belaste en onbelaste activiteiten. De belastingdienst berekende de aftrek van voorbelasting op basis van de verhouding tussen de omzet van de makelaarsactiviteiten en de totale omzet. De ondernemer claimde een hogere aftrek op basis van het werkelijke gebruik. Daarvoor diende hij met objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens te bewijzen wat het werkelijke gebruik was. De ondernemer deed dat aan de hand van een urenregistratie en zijn agenda. De urenregistratie was een schatting, bestaande uit een verdeling van alle arbeidsuren op grond van functieprofielen. Noch in de urenregistratie, noch in de agenda was een koppeling gelegd met het gebruik van door de ondernemer aangeschafte goederen. De rechtbank Haarlem kon op basis van deze gegevens geen conclusies trekken over het werkelijke gebruik van de ingekochte goederen.
Ondernemers voor de omzetbelasting mogen de belasting die leveranciers in rekening hebben gebracht in mindering brengen op de belasting die zij aan de Belastingdienst moeten betalen. Dit recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het feit of de prestaties van de ondernemer al dan niet belast zijn. Ondernemers die zowel belaste als vrijgestelde prestaties verrichten moeten de aan hun in rekening gebrachte omzetbelasting splitsen voor de bepaling van het deel dat als voorbelasting kan worden verrekend. Die splitsing kan op basis van de gerealiseerde omzetten of aan de hand van het werkelijke gebruik voor de verschillende prestaties.
Over deze toerekening van de voorbelasting aan belaste en onbelaste prestaties bestond een geschil tussen een ondernemer en de belastingdienst. De ondernemer dreef een makelaarskantoor en bemiddelde verder in hypotheken en verzekeringen. De bemiddelingsactiviteiten zijn vrijgestelde prestaties. In de administratie was geen splitsing aangebracht tussen belaste en onbelaste activiteiten. De belastingdienst berekende de aftrek van voorbelasting op basis van de verhouding tussen de omzet van de makelaarsactiviteiten en de totale omzet. De ondernemer claimde een hogere aftrek op basis van het werkelijke gebruik. Daarvoor diende hij met objectief en nauwkeurig vast te stellen gegevens te bewijzen wat het werkelijke gebruik was. De ondernemer deed dat aan de hand van een urenregistratie en zijn agenda. De urenregistratie was een schatting, bestaande uit een verdeling van alle arbeidsuren op grond van functieprofielen. Noch in de urenregistratie, noch in de agenda was een koppeling gelegd met het gebruik van door de ondernemer aangeschafte goederen. De rechtbank Haarlem kon op basis van deze gegevens geen conclusies trekken over het werkelijke gebruik van de ingekochte goederen.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u