Splitsbaar pand was in zijn geheel keuzevermogen: terecht als ondernemingsvermogen aangemerkt
Een ondernemer kocht een splitsbaar pand met de bedoeling om een onderneming te gaan drijven op de benedenetage. Bij de aankoop handelde de ondernemer in het kader van zijn onderneming. Omdat het pand juridisch niet was gesplitst ging Hof Amsterdam ervan uit dat de ondernemer destijds alleen het gehele pand had kunnen kopen. Het hele pand was daarmee keuzevermogen en dus mocht de ondernemer het gehele pand tot zijn ondernemingsvermogen rekenen, ook al hadden de eerste en de tweede etage geen functie in de onderneming.Het Hof vond niet van belang of de eerste etage werd bewoond door de ondernemer of door derden. Die omstandigheid zou mogelijk van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of op het moment van de verhuur van de eerste etage aan een derde sprake was van een omstandigheid die een wijziging van de keuze voor ondernemingsvermogen rechtvaardigde. Die vraag was echter in dit geding niet aan de orde. Evenmin van belang vond het Hof de omstandigheid dat het ondernemingsgedeelte in oppervlakte gemeten slechts 28 % besloeg van het hele pand.
Een ondernemer kocht een splitsbaar pand met de bedoeling om een onderneming te gaan drijven op de benedenetage. Bij de aankoop handelde de ondernemer in het kader van zijn onderneming. Omdat het pand juridisch niet was gesplitst ging Hof Amsterdam ervan uit dat de ondernemer destijds alleen het gehele pand had kunnen kopen. Het hele pand was daarmee keuzevermogen en dus mocht de ondernemer het gehele pand tot zijn ondernemingsvermogen rekenen, ook al hadden de eerste en de tweede etage geen functie in de onderneming.Het Hof vond niet van belang of de eerste etage werd bewoond door de ondernemer of door derden. Die omstandigheid zou mogelijk van belang kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of op het moment van de verhuur van de eerste etage aan een derde sprake was van een omstandigheid die een wijziging van de keuze voor ondernemingsvermogen rechtvaardigde. Die vraag was echter in dit geding niet aan de orde. Evenmin van belang vond het Hof de omstandigheid dat het ondernemingsgedeelte in oppervlakte gemeten slechts 28 % besloeg van het hele pand.