
Een belang van 5% of meer in het geplaatste kapitaal van een aandelenvennootschap vormt een aanmerkelijk belang en valt als bezitting niet in box 3, maar in box 2. Wanneer er meerdere soorten aandelen zijn wordt voor de bepaling van het belang niet gekeken naar het totale kapitaal van de vennootschap, maar naar het belang binnen de soort. Zo bezat een aandeelhouder slechts 2,67% van het totale geplaatste kapitaal van een BV. Zo bezien was dus geen sprake van een aanmerkelijk belang. Het aandelenbezit bestond uit zogenaamde letteraandelen en vormde 6,28% van de geplaatste aandelen A. Als het aandeel A een soortaandeel was, dan zou dat betekenen dat de aandeelhouder toch een aanmerkelijk belang bezat in de vennootschap. Kenmerk van soortaandelen is dat zij niet met andere soortaandelen dooreen leverbaar zijn. Toch kunnen aandelen met verschillende rechten, die daarom niet dooreen leverbaar zijn, toch voor de aanmerkelijk belangregeling één aandelensoort vormen. Zeggenschaps- en benoemingsrechten die zijn verbonden aan aandelen creëren geen aparte aandelensoort. Dat geldt wel voor verschillen in winstgerechtigdheid of een bijzondere gerechtigdheid tot het liquidatieoverschot.
De rechtbank stelde vast dat er geen onderscheid bestond tussen de aandelen A en de aandelen B en zij dus dooreen leverbaar waren. De aandelen A en B deelden gelijk in de winst, in de reserves en in een eventueel liquidatieoverschot. Hof Den Haag onderschrijft dit oordeel.